Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
witwassen, meermalen gepleegd.
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
€ 5.450,00. Dit geld was afkomstig uit enig misdrijf, namelijk afdreiging. Door witwassen van geld wordt het plegen van criminele activiteiten bevorderd, vergemakkelijkt en in stand gehouden. Bovendien werkt de vermenging van crimineel verworven vermogen met ogenschijnlijk legaal vermogen ondermijning van de rechtsorde in de hand. Verdachte heeft zich kennelijk enkel laten leiden door eigen financieel gewin en heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn gedrag voor het slachtoffer en de samenleving.De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.
9.BESLAG
10.BENADEELDE PARTIJ
€ 3.210,08 komt voor vergoeding in aanmerking, nu deze schade (ook) ziet op hetgeen onder feit 2 aan verdachte ten laste is gelegd en bewezen is verklaard. De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 3.210,08 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 7 april 2021 tot de dag van volledige betaling.
11.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
12.BESLISSING
taakstraf van 50 uren;
- 1 STK telefoon (omschrijving: PL0900-2021108459-G2978562);
- 1 STK telefoon (Apple iPhone wit, goednummer PL0900-2021108459-2979619);
- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 3.210,08, bestaande uit een vergoeding voor materiële schade;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 april 2021 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer] wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.