ECLI:NL:RBMNE:2023:6773

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 december 2023
Publicatiedatum
15 december 2023
Zaaknummer
UTR 23/190
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26, eerste lid van de AWRArt. 6:7 van de Algemene wet bestuursrechtArt. 6:8, eerste lid, van de AwbArt. 6:9, eerste lid, van de AwbArt. 7:3 van de Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen ambtshalve verlaging WOZ-waarde en aanslag

Eiser ontving een aanslag WOZ-waarde en onroerendezaakbelasting voor het belastingjaar 2022. Na informeel contact verlaagde de heffingsambtenaar ambtshalve de WOZ-waarde. Eiser maakte bezwaar tegen deze ambtshalve verlaging, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend en omdat een ambtshalve verlaging niet vatbaar is voor bezwaar.

De rechtbank behandelde het beroep tegen de uitspraak op bezwaar. De kern van het geschil was of het bezwaar binnen de wettelijke termijn was ingediend. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar te laat was ingediend, aangezien de bezwaartermijn zes weken bedroeg en het bezwaar pas na deze termijn was ontvangen.

Verder stelde eiser dat hij ten onrechte niet was gehoord, maar de rechtbank vond dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het bezwaar op voorhand geen kans van slagen had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de ambtshalve verlaging en aanslag is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/190

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2023 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.W. Vugts)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] , verweerder

(gemachtigde: J.A. Ruitenburg).

Inleiding

1.1.
Eiser heeft op 21 februari 2022 een aanslag ontvangen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), waarin de waarde van de onroerende zaak aan de [adres] in [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2022 is vastgesteld op € 406.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2021. De heffingsambtenaar heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.2.
Nadat eiser informeel contact heeft gehad met de taxateur heeft de heffingsambtenaar op 11 maart 2022 ambtshalve de WOZ-waarde verlaagd naar € 274.000,-. Op 21 april 2022 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de ambtshalve vermindering van de aanslag.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar aangemerkt als gericht tegen de aanslag van 21 februari 2022. In de uitspraak op bezwaar van 2 december 2022 staat:

Op 21 april 2022 heb ik uw bezwaar ontvangen. Dat is niet binnen de wettelijke termijn van zes weken. Daarom is uw bezwaar niet ontvankelijk.
[…]
Uw bezwaar tegen de waardebeschikking en de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2022 verklaar ik ongegrond; de informeel verlaagde waarde wordt gehandhaafd.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser was niet aanwezig. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door [taxateur] , taxateur.
1.6.
Na de zitting is de zaak toegewezen aan de rechter die de zaak nu behandelt. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om door deze rechter op een zitting te worden gehoord.

Het geschil

2. Uit het verweerschrift en de toelichting van de heffingsambtenaar op de zitting blijkt dat de heffingsambtenaar heeft beoogd het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en dat het ongegrond verklaren van het bezwaar een verschrijving is. Uit het beroepschrift komt ook naar voren dat eiser de uitspraak op bezwaar op die manier heeft opgevat. Eiser schrijft namelijk dat hij niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het kennelijk te laat ingediende proforma bezwaarschrift.
3.
Tussen partijen is dus in geschil of het bezwaarschrift van 21 april 2022 binnen de geldende bezwaartermijn is ingediend. Eiser vindt van wel en voert aan dat zijn bezwaarschrift onterecht niet-ontvankelijk is verklaard. Hij wijst erop dat het bezwaar was gericht tegen de ambtshalve vermindering. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep zijn standpunt dat het bezwaarschrift te laat is ingediend.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat voor zover het bezwaar was gericht tegen de ambtshalve vermindering, het terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Een ambtshalve vermindering van een aanslag is namelijk niet een voor bezwaar vatbare beschikking [1] , omdat niet ingevolge enige bepaling van de belastingwet bezwaar daartegen open staat. [2]
5.
De rechtbank is verder van oordeel dat het bezwaarschrift van eiser terecht nietontvankelijk is verklaard voor zover het was gericht tegen de aanslag van 21 februari 2022. Voor het indienen van het bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [3] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [4] Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [5]
6. De heffingsambtenaar heeft de aanslag bekendgemaakt op 21 februari 2022 door verzending per post. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 4 april 2022. Het bezwaarschrift van eiser is gedagtekend op 21 april 2022 en op dezelfde dag door de heffingsambtenaar ontvangen. Dat is dus te laat en betekent dat het bezwaarschrift ook in zoverre terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Hoorplicht

7. Eiser voert aan dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar.
8. De rechtbank overweegt dat van het horen kan worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander besluit. [6] Deze situatie doet zich hier voor. Op basis van het door eiser ingediende bezwaarschrift kon verweerder in redelijkheid concluderen dat op voorhand duidelijk was het bezwaar niet-ontvankelijk is. Verweerder heeft het bezwaar daarom kennelijk niet-ontvankelijk mogen verklaren. Van schending van de hoorplicht is dus geen sprake.

Conclusie en gevolgen

9. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk.
10. Omdat eiser geen gelijk krijgt, krijgt hij ook het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
15 december 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 26, eerste lid van de AWR
2.De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT3051.
3.Artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
5.Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
6.Met toepassing van artikel 7:3 van Pro de Awb.