ECLI:NL:RBMNE:2023:685
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van woning aanvaardt geen verlaging
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-waarde van haar woning, vastgesteld op €468.000 per 1 januari 2021, omdat zij meent dat de waarde te hoog is vastgesteld. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde na bezwaar. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de waarde aannemelijk is vastgesteld.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen uit dezelfde omgeving, die qua bouwjaar en kenmerken voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank vond dat hiermee voldoende rekening is gehouden met verschillen tussen de woningen.
Eiseres voerde aan dat de referentiewoningen ouder zijn, dat verschillen in bijgebouwen onvoldoende zijn meegewogen, dat de WOZ-waarde hoger is dan voorgaande jaren en dat de waarde niet overeenkomt met die van negen andere patiowoningen in haar straat. De rechtbank verwierp deze gronden, onder meer omdat het waarderingssysteem jaarlijks wordt vastgesteld en de referentiewoningen niet identiek zijn. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde, omdat de woningen niet als identiek konden worden aangemerkt.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen griffierecht terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard en de waarde van €468.000 wordt bevestigd.