Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
hierna: verdachte.
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.INLEIDING
3.TENLASTELEGGING
4.VOORVRAGEN
5.WAARDERING VAN HET BEWIJS
“De door ons opgegeven informatie is hetgeen dat wij ons kunnen herinneren en wat wij bezitten.”
Wanneer zij de onderliggende documentatie niet meer in hun bezit hebben, kunnen zij dàt opgeven en tevens aangeven of en waar de documentatie van deze informatie misschien nog bestaat. Hier komt bij dat de Commissie meermalen aan de Stichtingen kenbaar heeft gemaakt (onder meer in het verzoekschrift onder 17 en ook nog ter zitting in hoger beroep) dat zij geen documenten die zij niet onder zich hebben, hoeven te verstrekken. Wanneer een Stichting bepaalde opgevraagde documenten niet heeft, kan de betreffende Stichting dàt concreet opgeven.”
Dat hoeft echter geen probleem te zijn, nu ter zitting namens de [stichting 1] reeds mondeling toestemming is verstrekt aan de Commissie om zo nodig de FIOD te vragen de onder haar berustende stukken in kopie aan de Commissie te verstrekken. Het is dus aan partijen om, zo nodig in samenspraak met de FIOD, de betreffende gegevens boven 'tafel te krijgen.”
“voor zover wij ons kunnen herinneren nooit enig origineel dan wel kopie [hebben] ontvangen”neemt de valsheid niet weg. Verdachte wist immers wel beter. De vervalsing van het geschrift raakt naar het oordeel van de rechtbank de bewijsbestemming van het geschrift. Er is weliswaar geen bewijs dat verdachte (namens de stichting) de POCOB verkeerd heeft voorgelicht of willen voorlichten wat betreft de gegeven inhoudelijke antwoorden op de vorderingen. Maar de bewering van verdachte namens de stichting dat zij niet beschikte over de FIOD-stukken, maakte minst genomen de inspanningsverplichting die de stichting heeft om te voldoen aan de vorderingen van de POCOB wel kleiner. De verdediging heeft betoogd dat er geen nadeel kan ontstaan uit het gebruik van het vervalste geschrift omdat de inhoud van de brief niet onjuist was en de brief bovendien verwees naar de FIOD-stukken. De verdediging miskent echter dat de valsheid bestond uit het voorwenden dat (het bestuur van) de stichting niet over de FIOD-stukken beschikte en dat de POCOB daardoor genoodzaakt was om via andere weg (namelijk door een vordering aan de FIOD) deze informatie boven water te krijgen. Daarmee is gegeven dat enig nadeel kon ontstaan uit het gebruik van het (op onderdelen) vervalste geschrift.
“de [stichting 1] getuigd van het huwelijk tussen….”. De officier van justitie meent dat verdachte heeft moeten begrijpen dat de POCOB niet alleen bedoelde te vragen of de stichting islamitische huwelijken voltrekt (zonder dat daaraan een burgerlijk huwelijk is vooraf gegaan), maar ook of de stichting bij dergelijke huwelijken betrokken is. Nog daargelaten of de invulling van de vraagstelling door de officier van justitie juist is, mag van verdachte niet worden verlangd dat hij zelf invult welke vraag eigenlijk bedoeld werd door de vraagsteller. Het is aan de POCOB om de vragen te formuleren en verdachte mag afgaan op de formulering zoals die is gekozen. De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte zich met zijn antwoord op de vraag van het eerste gedachtestreepje niet schuldig heeft gemaakt aan meineed en spreekt verdachte daarom partieel vrij.
6.BEWEZENVERKLARING
2
op 25 maart 2020 te Tilburg een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, immers heeft hij, verdachte, valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid in die brief vermeld - zakelijk weergegeven -:
terwijl bovenstaande antwoorden op de vorderingen onjuist zijn, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken;
3
op 30 maart 2020 te Utrecht opzettelijk gebruik heeft gemaakt, van
4
op [2020] te Den Haag tijdens een openbaar verhoor als getuige onder ede voor een commissie als bedoeld in artikel 1 onder Pro b jo artikel 2 lid 2 van Pro de Wet op de Parlementaire Enquête 2008, zijnde een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert en daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk, opzettelijk de navolgende, geheel of ten dele, valse verklaringen onder ede heeft afgelegd, te weten tijdens het verhoor van de parlementaire enquêtecommissie Ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen:
geantwoord: "Ja, zeker”.
7.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
8.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
9.OPLEGGING VAN STRAF
10.BESLAG
11.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
12.BESLISSING
taakstraf van 120 uren;