Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 februari 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Inleiding
Algemeen
€ 799.000.-. Eiser verzoekt om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser is eigenaar van een wegrestaurant met een totale oppervlakte van 900 m2. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde vastgesteld op €1.259.000,- per 1 januari 2020, welke waarde ook is gebruikt voor de aanslag onroerendezaakbelastingen 2021. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €799.000,- voor.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar met behulp van een taxatiematrix en vergelijking met vier verkoopprijzen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is. Hoewel er onjuistheden zijn in de gemiddelde huurwaarde, beïnvloedt dit de waardebepaling niet. Ook is de waardepeildatum gelegen vóór de coronapandemie, waardoor markttransacties deze omstandigheden weerspiegelen.
Verder concludeert de rechtbank dat de redelijke termijn niet is overschreden, aangezien de uitspraak binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift is gedaan. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt daarom afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.