Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met 11 producties;
2.De feiten
Het gehuurde, bestemming
Huurprijswijziging
- De betaling van de huur loopt nog steeds niet goed. Volgens de huurovereenkomst dient de huur bij vooruitbetaling te worden voldaan.
Gedurende dit jaar hebben we overleg gevoerd over de gestegen kosten van het pand op de [locatie] .
Naar aanleiding van jouw e-mail van 13 november 2019 graag het volgende;
Jou opmerking over een huurverhoging met terugwerkende kracht begrijp ik niet.
Gelet op de onzekerheid van de komende tijd wil ik nu geen energie stoppen in ons meningsverschil m.b.t. de huurverhoging van de [locatie] .
Overeenkomstig het huurcontract moet de huur vóór de eerste van iedere maand zijn voldaan. Als de huur niet op de eerste van de maand is ontvangen door de verhuurder dan blijft u in gebreke en daarvoor verwijs ik u naar Art 18.2 van de Algemene Bepalingen die u bij de huurovereenkomst heeft ontvangen. Hierin staat vermeld dat verhuurder u bij iedere overtreding een direct opeisbare boete in rekening kan brengen van 2% van het verschuldigde per kalendermaand met een minimum van € 300 per maand. Elke ingetreden maand geldt daarbij als een volle maand, dus ook als u één dag te laat betaald. Met ingang van 1 mei 2022 zal de verhuurder dit toe gaan passen.”.
Via deze brief zeggen wij de huur van de bedrijfsruimte (de loods), de ligplaatsen en bijbehorende buitenterrein per 31 oktober 2023 op.
3.Het geschil
4.De beoordeling
Gedurende 10 jaar heb ik geen gebruik gemaakt van een jaarlijkse huur aanpassing (…) dus is er geen sprake van” terugwerkende kracht”.” [gedaagde] mocht er – met name door de opmerking dat geen sprake is van terugwerkende kracht – gerechtvaardigd op vertrouwen dat [eiser] de indexering tot 1 november 2020 niet alsnog zou vorderen. Dat [eiser] een conflict mijdend karakter zou hebben en daarom niet eerder een indexering heeft doorgevoerd, doet daar niet aan af. Deze omstandigheid komt immers voor rekening en risico van [eiser] . Gelet op het voorgaande stelt de kantonrechter vast dat [eiser] zijn recht om de huurprijs tot 1 november 2020 te indexeren heeft verwerkt. Partijen zijn het erover eens dat de huurprijs per 1 november 2017 zonder indexeringen € 3.000,- bedroeg. Die huurprijs heeft [gedaagde] tot 1 november 2020 steeds voldaan, zodat van een huurachterstand tot 1 november 2020 geen sprake is. De door [eiser] gevorderde huurachterstand bestaande uit de indexeringen in de periode vanaf 1 november 2017 tot 1 november 2020 zal dan ook worden afgewezen.
- de kozijnen van de bedrijfswoning;
- de gevel van de bedrijfswoning;
- de tuin rondom de bedrijfswoning en de bedrijfsruimte;
- de gevelbekleding van de bedrijfsruimte (herstel schade door storm);
- schilderwerk aan de bedrijfsruimte;
- reparatie hemelwaterafvoer van de bedrijfsruimte;
- de overheaddeur van de bedrijfsruimte herstellen of vervangen als herstel in originele staat niet mogelijk is (schade door aanrijding).