Eiseres, een alleenstaande moeder met een jong kind, had urgentie aangevraagd nadat zij en haar zoontje uit hun kamer waren gezet. Het college van burgemeester en wethouders van Almere wees de aanvraag af omdat zij niet viel onder de vastgestelde urgentiecategorieën in de Huisvestingsverordening 2019. Ook werd de hardheidsclausule niet toegepast.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de Huisvestingsverordening in strijd is met de Huisvestingswet of dat de urgentiecriteria onredelijk zijn. De rechtbank sloot zich aan bij eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die deze criteria bevestigt.
Daarnaast vond de rechtbank dat de situatie van eiseres, hoewel niet ideaal, niet uitzonderlijk genoeg was om toepassing van de hardheidsclausule te rechtvaardigen. Er was geen sprake van onveiligheid en er waren alternatieve mogelijkheden voor huisvesting waar eiseres onvoldoende onderzoek naar had gedaan.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.