ECLI:NL:RVS:2023:93
Raad van State
- Hoger beroep
- H.C.P. Venema
- J. Gundelach
- W. den Ouden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken urgent huisvestingsprobleem
Appellant vroeg op 3 september 2020 een urgentieverklaring aan vanwege haar woonsituatie met haar dochter in een te kleine en dure studio en dreigende dakloosheid. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af omdat er geen sprake was van een urgent huisvestingsprobleem volgens artikel 2.6.5 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het college de urgentieverklaring terecht heeft geweigerd. De woonsituatie van appellant, hoewel niet ideaal, voldoet niet aan de criteria voor urgentie zoals vastgelegd in de Huisvestingsverordening en de Nadere regels. De Afdeling stelt dat het college voldoende gemotiveerd heeft waarom de hardheidsclausule niet werd toegepast en dat de belangen van het minderjarige kind zijn meegewogen.
Verder oordeelt de Afdeling dat de weigeringsgrond niet te vaag is en niet leidt tot willekeur. De bevoegdheid van het college om urgentiecriteria vast te stellen is gebaseerd op de Huisvestingswet en de verordening. Het beroep op het Verdrag inzake de rechten van het kind leidt niet tot een andere uitkomst omdat het college de belangen van het kind heeft betrokken in haar besluitvorming.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De afwijzing van de urgentieverklaring wordt bevestigd omdat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem.