17. De rechtbank oordeelt dat het college openbaarmaking van de volledige overeenkomst, de kostenoverzichten en de rekeningen met de gegeven motivering heeft mogen weigeren. Zij vindt daarbij van belang dat de overeenkomst is opgesteld door de opdrachtgever, Janssen, en dat er dus gebruik is gemaakt van het stramien dat en de uitgangspunten die Janssen doorgaans hanteert bij het aangaan van overeenkomsten. Openbaarmaking daarvan geeft inzicht in de werkwijze van Janssen. Waar het gaat om prijzen, tarieven en andere financiële afspraken en de afrekening ervan, leidt openbaarmaking sowieso tot onevenredige benadeling van de concurrentiepositie van Janssen, omdat andere farmaceutische bedrijven hun prijzen en tarieven daaraan kunnen aanpassen. Het college heeft deze informatie niet openbaar hoeven maken. De overige passages in de overeenkomst, die strikt genomen niet over prijzen en tarieven gaan, heeft hij eveneens mogen weigeren openbaar te maken, omdat deze passages onlosmakelijk samenhangen met die financiële informatie en teveel prijsgeven over de bedrijfsvoering van Janssen. De rechtbank heeft in de overeenkomst en de kostenoverzichten geen passages aangetroffen die dusdanig algemeen van aard zijn, dat zij wél openbaar gemaakt kunnen worden zonder dat dit Janssen onevenredig schaadt. Daarin verschilt deze situatie bijvoorbeeld van de situatie waarin door de universiteit zelf met een standaardcontract wordt gewerkt en waarvan algemene passage kunnen worden prijsgegeven. Het college en Janssen hebben toegelicht dat zij alles wat zij onderling hebben afgesproken hebben uitonderhandeld voor deze specifieke situatie. De overeenkomst is daarmee één samenhangend geheel geworden en het is niet mogelijk om passages aan te wijzen die hieruit losgemaakt kunnen worden en daarmee niet onder de weigeringsgrond zouden vallen.
18. Het college heeft bij zijn afweging mogen betrekken dat openbaarmaking van deze informatie ook het financiële belang van de universiteit zelf raakt. De universiteit is verantwoordelijk voor een deel van de eigen inkomsten. Zij voert daarom tegen betaling onderzoeken uit voor derden. Het college heeft in voldoende mate gemotiveerd dat het risico bestaat dat derden geen contracten meer zullen aangaan met de universiteit als de inhoud daarvan via de Wob openbaar wordt. De rechtbank acht aannemelijk dat de universiteit hierdoor rechtstreeks wordt geraakt in haar mogelijkheden om (noodzakelijke) inkomsten te verwerven. Openbaarmaking van de overeenkomst en de kostenoverzichten kan er dus toe leiden dat de universiteit geen of minder opdrachten ontvangt en dus minder inkomsten genereert, terwijl bij de bekostiging van de universiteit rekening wordt gehouden met zelf te genereren inkomsten. Eiseres heeft er op de zitting op gewezen dat het project inmiddels is afgelopen en dat dit een extra motivering vraagt van het college waarom de financiële belangen van de universiteit toch nog de doorslag geven om de documenten niet openbaar te maken. Het college heeft toegelicht dat het project weliswaar voorbij is, maar dat de gevraagde documenten informatie bevatten over de werkmethodiek van de universiteit en van Janssen, waar andere onderzoeksinstellingen en bedrijven voordeel mee kunnen behalen. Ook voor toekomstige opdrachten is die informatie relevant. De rechtbank acht dit aannemelijk. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de financiële belangen van de universiteit worden geschaad door openbaarmaking.
19. De rechtbank heeft in wat is aangevoerd geen omstandigheden gevonden, waarom in dit geval het belang van openbaarheid zwaarder zou moeten wegen dan het belang van de universiteit en Janssen bij geheimhouding daarvan. Eiseres heeft verwezen naar 3.7 van de ‘Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten’, waarin staat dat over investeringen met publieke middelen in private activiteiten volledig en transparant verantwoording moet worden afgelegd. Volgens haar moeten de financiële gegevens die gemoeid zijn bij dit project om die reden toch openbaar worden gemaakt. Eiseres kan zodoende controle uitoefenen op de derde geldstroom, wat zij als journalist graag wil.
20. De rechtbank geeft eiseres hierin geen gelijk. Er nog vanaf gezien of hier sprake is van zo’n bedoelde investering, geldt hiervoor een afzonderlijk verantwoordingsregime in het bestuursverslag van de universiteit, terwijl de rechtbank beoordeelt of het college openbaarmaking in het kader van de Wob mocht weigeren. De Wob vormt daarbij dus het wettelijk beoordelingskader. Dat de genoemde beleidsregel controle van publieke middelen voorschrijft, staat los van de vraag of het college de gevraagde documenten in het kader van de Wob openbaar moest maken.
21. Samenvattend oordeelt de rechtbank dat het college de overeenkomst, de twee kostenoverzichten en de mailberichten met de “quotes” heeft mogen weigeren openbaar te maken omdat daarop de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Wob van toepassing zijn. Het beroep van eiseres slaagt voor het overige op dit onderdeel niet. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het besluit in stand laten.
Over de zoekslag
22. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de zoekslag niet in orde was. Op geen enkele manier is namelijk uitgelegd door wie er is gezocht, met welke beproefde zoekmethode (e-discovery, archiefonderzoek), en wat het resultaat van de zoekslag was. Zij stelt zich op het standpunt dat het ongeloofwaardig is dat er geen e-mailberichten zijn over het gevoerde overleg en de gevolgde onderhandelingen. Er moeten conceptovereenkomsten zijn en er moeten afspraken over en weer zijn gewisseld.
23. Als een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat documenten niet (of niet meer) onder hem berusten en zo’n mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, dan is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat documenten toch onder het bestuursorgaan berusten. Dit volgt uit vaste rechtspraak.