In deze civiele procedure vorderen eiseres en mede-eiser betaling van een geldlening van in totaal €4.400,- die in drie tranches aan gedaagde is verstrekt, vermeerderd met contractuele rente en incassokosten. Gedaagde erkent de schuld maar betwist de opeisbaarheid van de lening.
De kantonrechter stelt vast dat de lening onder de oude wettelijke regeling valt, omdat deze vóór 1 januari 2017 is gesloten. Partijen zijn het eens over de hoofdsom en de rente, maar verschillen van mening over het moment van opeisbaarheid. De overeenkomst vermeldt dat aflossing 'zo snel mogelijk' dient te geschieden, zonder concrete termijn.
De rechter oordeelt dat de lening na een redelijke termijn opeisbaar is en dat de formulering niet impliceert dat betaling afhankelijk is van de financiële situatie van gedaagde. Gezien de verstreken tijd sinds uitlening en opeising, is de vordering terecht. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen omdat de aanmaning niet voldeed aan wettelijke vereisten. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €4.870,75 plus rente vanaf 1 juli 2022 en de proceskosten.