ECLI:NL:RBMNE:2024:1176
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen WOZ-waarde woning op NSW-landgoed en verzoek immateriële schadevergoeding
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning op een NSW-landgoed, vastgesteld op € 1.231.000 per 1 januari 2020, en vordert een lagere waarde van € 999.000. De heffingsambtenaar handhaaft de waarde en onderbouwt deze met een taxatierapport inclusief een instandhoudingsfactor conform artikel 17 lid 5 Wet Pro WOZ.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is, ondanks enkele bezwaren van eiser over de vergelijkbaarheid van referentiewoningen en de volledigheid van het taxatierapport. De rechtbank wijst erop dat de inpandige opname niet noodzakelijk was gezien het bouwjaar en de staat van de woning.
Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. De rechtbank verlengt de redelijke termijn met 12 maanden vanwege het procedeergedrag van de gemachtigde van eiser, waardoor de overschrijding aan eiser kan worden toegerekend.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter J. Wolbrink en uitgesproken op 4 maart 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.