ECLI:NL:RBMNE:2024:1184
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering voorschot NOW 4 wegens niet ingediende definitieve aanvraag
Eiseres diende op 8 augustus 2021 een aanvraag in voor de tegemoetkoming loonkosten op grond van de NOW 4 voor het derde kwartaal van 2021. De minister keerde een voorschot van €9.234,- uit. Bij het primaire besluit van 11 mei 2023 stelde de minister vast dat eiseres geen definitieve aanvraag had ingediend voor de berekening van de tegemoetkoming, waardoor het voorschot moest worden terugbetaald.
Eiseres maakte bezwaar en stelde dat zij de termijn niet kon halen vanwege verhuizing en het niet ontvangen van herinneringsbrieven. Tevens voerde zij aan dat terugvordering haar financieel zwaar zou treffen en dat het oneerlijk zou zijn om haar dubbel te straffen vanwege coronaperikelen. De minister handhaafde het besluit, waarna eiseres beroep instelde.
De rechtbank oordeelde dat de NOW 4-regeling een generieke noodmaatregel is met weinig ruimte voor maatwerk en dat de uiterste aanvraagdatum dwingend is. De rechtbank vond geen strijd met het evenredigheidsbeginsel, mede omdat de minister de uiterste termijn zelfs had verlengd. De minister heeft discretionaire bevoegdheid tot terugvordering, maar had het besluit onvoldoende gemotiveerd. Dit motiveringsgebrek werd echter gepasseerd omdat de minister op de zitting een uitleg gaf die de rechtbank kon volgen.
De rechtbank concludeerde dat de minister het voorschot terecht mocht terugvorderen omdat eiseres niet tijdig een definitieve aanvraag had ingediend en onvoldoende had onderbouwd dat zij door de terugvordering in financiële problemen zou komen. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar eiseres kreeg wel haar griffierecht en proceskosten vergoed.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de terugvordering van het voorschot van €9.234,- door de minister.