Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2024:1184

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 februari 2024
Publicatiedatum
1 maart 2024
Zaaknummer
UTR 23/4087
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 6:22 AwbArt. 4:95 AwbArt. 17 NOW 4Art. 18 NOW 4
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering voorschot NOW 4 wegens niet ingediende definitieve aanvraag

Eiseres diende op 8 augustus 2021 een aanvraag in voor de tegemoetkoming loonkosten op grond van de NOW 4 voor het derde kwartaal van 2021. De minister keerde een voorschot van €9.234,- uit. Bij het primaire besluit van 11 mei 2023 stelde de minister vast dat eiseres geen definitieve aanvraag had ingediend voor de berekening van de tegemoetkoming, waardoor het voorschot moest worden terugbetaald.

Eiseres maakte bezwaar en stelde dat zij de termijn niet kon halen vanwege verhuizing en het niet ontvangen van herinneringsbrieven. Tevens voerde zij aan dat terugvordering haar financieel zwaar zou treffen en dat het oneerlijk zou zijn om haar dubbel te straffen vanwege coronaperikelen. De minister handhaafde het besluit, waarna eiseres beroep instelde.

De rechtbank oordeelde dat de NOW 4-regeling een generieke noodmaatregel is met weinig ruimte voor maatwerk en dat de uiterste aanvraagdatum dwingend is. De rechtbank vond geen strijd met het evenredigheidsbeginsel, mede omdat de minister de uiterste termijn zelfs had verlengd. De minister heeft discretionaire bevoegdheid tot terugvordering, maar had het besluit onvoldoende gemotiveerd. Dit motiveringsgebrek werd echter gepasseerd omdat de minister op de zitting een uitleg gaf die de rechtbank kon volgen.

De rechtbank concludeerde dat de minister het voorschot terecht mocht terugvorderen omdat eiseres niet tijdig een definitieve aanvraag had ingediend en onvoldoende had onderbouwd dat zij door de terugvordering in financiële problemen zou komen. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar eiseres kreeg wel haar griffierecht en proceskosten vergoed.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de terugvordering van het voorschot van €9.234,- door de minister.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4087

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2024 in de zaak tussen

[bedrijf] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister), verweerder

(gemachtigde: R. van den Brink).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de Vierde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW 4).
1.1.
Eiseres heeft op 8 augustus 2021 een aanvraag ingediend op grond van de NOW 4, voor de tegemoetkoming in de loonkosten voor het derde kwartaal van 2021 (de zesde tranche). Met het besluit van 16 augustus 2021 en van 17 augustus 2021 heeft de minister aan eiseres een tegemoetkoming toegekend ter hoogte van € 11.543,-. Daarvan is € 9.234,- als voorschot aan eiseres betaald.
1.2.
Bij het besluit van 11 mei 2023 (het primaire besluit) heeft de minister aan eiseres meegedeeld dat het definitieve bedrag waarop eiseres recht heeft niet kan worden berekend, omdat ze geen aanvraag heeft ingediend. De minister heeft daarom beslist dat eiseres het verstrekte voorschot van € 9.234,- moet terugbetalen.
1.3.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het besluit van 27 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
1.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister het betaalde voorschot van de NOW 4 terecht heeft teruggevorderd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De minister legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat het definitieve bedrag waar eiseres recht op heeft niet kan worden berekend, omdat zij niet op tijd (voor de uiterste datum van 19 april 2023) een aanvraag definitieve berekening van de NOW 4 heeft ingediend.
4. Eiseres vindt dat het Uwv ten onrechte het voorschot terugvordert. De aanvraag is niet op tijd ingediend, omdat zij onbekend was met het verstrijken van de termijn. Zij is destijds namelijk verhuisd en de (herinnerings-)brieven van het Uwv zijn naar het oude adres gestuurd. Eiseres geeft aan dat zij door alle coronaperikelen een behoorlijke financiële klap heeft gekregen. Als daarbovenop ook het voorschot moet worden terugbetaald zal zij in financieel zwaar weer komen te verkeren en dreigt een faillissement. Volgens eiseres kan het ook niet zo zijn dat een ondernemer door alle coronaperikelen dubbel wordt gestraft. Eiseres verzoekt verder om alsnog een definitieve aanvraag te mogen doen, omdat zij volgens de regeling gelet op haar omzetverlies recht heeft op de tegemoetkoming.
Vaststelling van de definitieve tegemoetkoming
5. Eiseres moest op grond van de NOW 4 uiterlijk 22 februari 2023 een aanvraag doen voor de definitieve vaststelling van haar recht op een tegemoetkoming op grond van die regeling. [1] Bij brief van 24 januari 2023 heeft de minister eiseres daaraan herinnerd. Bij brief van 28 februari 2023 heeft de minister een nadere termijn gesteld tot en met 19 april 2023 voor het doen van een definitieve aanvraag. De minister heeft geen aanvraag voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming op grond van de NOW 4 van eiseres ontvangen. Tussen partijen bestaat er geen discussie over dat eiseres niet uiterlijk op 19 april 2023 een definitieve aanvraag heeft gedaan, terwijl dat op grond van de NOW 4 wel had gemoeten.
6. Eiseres vindt dat in haar geval de bepalingen in de NOW 4, op grond waarvan de tegemoetkoming wordt geweigerd als niet voor de uiterste aanvraagdatum een definitieve aanvraag wordt gedaan, onredelijk uitpakken. Daarmee doet eiseres een beroep op het evenredigheidsbeginsel en vraagt zij om een exceptieve toetsing van de regeling in de NOW 4.
7. Over de vraag of het evenredigheidsbeginsel is geschonden overweegt de rechtbank het volgende. De NOW 4-regeling is net als de eerdere NOW-regelingen een noodmaatregel waarbij snel een zeer groot aantal werkgevers duidelijkheid moest worden verschaft over de aard en de inhoud van de regeling. Hierdoor heeft de regeling noodgedwongen een generiek en grofmazig karakter en is er weinig ruimte voor maatwerk. Om deze reden is in de NOW-regelingen ook geen hardheidsclausule opgenomen. De minister heeft bij de totstandkoming van een subsidieregeling als de NOW 4 veel beslissingsruimte. Dit brengt mee dat er terughoudend getoetst moet worden door de bestuursrechter. Uit de nota van toelichting bij de NOW 1, waarop de NOW 4 voortborduurt, blijkt dat, om de berekening van de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming te kunnen maken, het van belang is dat de aanvraag met de daarbij behorende gegevens tijdig beschikbaar is. Om die reden is dwingend voorgeschreven tot wanneer de aanvraag kon worden ingediend. In de nota van toelichting staat verder dat het Uwv het volledig verstrekte voorschot terugvordert als er geen definitieve aanvraag is ingediend. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling geweest van de minister en daaraan komt doorslaggevende betekenis toe. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank, hoewel dit voor eiseres nadelig uitpakt, geen ruimte om – met toepassing van de (terughoudende) exceptieve toets – af te wijken van de in de NOW 4 opgenomen uiterlijke aanvraagdatum, die uiteindelijk ook door de minister is verlengd. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel of een ander beginsel van behoorlijk bestuur.
8. Eiseres heeft er op de zitting nog op gewezen dat zij ook voor de zevende en achtste tranche van de NOW 4 heeft verzocht om – ondanks het verstrijken van de uiterste termijn daarvoor – alsnog een definitieve aanvraag in te mogen dienen, en dat dit verzoek door de minister wél is ingewilligd. Dat de minister in die zaken kennelijk de afweging heeft gemaakt om eiseres alsnog de mogelijkheid te geven om de definitieve aanvragen in te dienen, betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet zonder méér dat de minister gehouden zou zijn om ook in deze zaak tot dezelfde afweging te komen. Eiseres heeft ook niet onderbouwd dat ten aanzien van de aanvraag voor de zesde tranche exact dezelfde belangen spelen als bij de afweging die door de minister kennelijk ten aanzien van de zevende en achtste tranche is gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ten aanzien van de zesde tranche dan ook kunnen vasthouden aan de uiterste termijn voor het indienen van de definitieve aanvraag.
Terugvordering van het voorschot
9. De minister heeft een discretionaire bevoegdheid om een onverschuldigd betaald voorschot geheel of gedeeltelijk terug te vorderen van eiseres. [2] Dat betekent dat de minister het bedrag van € 9.234,- kán terugvorderen van eiseres, maar daartoe niet verplicht is. Het is aan de minister of hij van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik maakt of niet. De minister moet daarbij wel een volgbare afweging maken tussen het belang van een juiste subsidieverdeling enerzijds en de individuele gevolgen voor eiseres anderzijds. Op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de minister ook beoordelen of de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiseres niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die met de terugvordering worden gediend.
10. De minister heeft in het bestreden besluit geen belangenafweging opgenomen ten aanzien van de vraag of tot terugvordering moet worden overgegaan, maar dat had vanwege zijn discretionaire bevoegdheid wel gemoeten. Eerst op de zitting is van de kant van de minister hier een uitleg over gegeven. Aan het bestreden besluit kleeft daarom een motiveringsgebrek.
11. Volgens de minister is het belang van de terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten erin gelegen dat publieke middelen zorgvuldig worden besteed. Dat is volgens de rechtbank een legitiem doel waaraan belangrijke betekenis toekomt. Van terugvordering wordt volgens de minister alleen afgezien als ten gevolge van de terugvordering het voortbestaan van de onderneming wordt bedreigd. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij mogelijk in financiële problemen komt door de terugvordering. De rechtbank kan deze uitleg van de minister volgen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de terugvordering van het voorschot zodanig ingrijpend is voor eiseres dat de minister daar geheel of gedeeltelijk van af had moeten zien. Zoals de minister heeft benoemd, heeft eiseres geen financiële stukken overgelegd die haar standpunt onderbouwen dat zij in financieel noodweer verkeert of dreigt te verkeren door de terugvordering.
12. Gelet op het voorgaande heeft de minister het voorschot van eiseres mogen terugvorderen. De rechtbank zal het motiveringsgebrek dan ook met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb passeren. Het is namelijk aannemelijk dat eiseres door deze late uitleg op de zitting niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou immers een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.

Conclusie en gevolgen

13. De rechtbank is van oordeel dat de minister in redelijkheid de tegemoetkoming op grond van de NOW 4 op nihil heeft kunnen stellen en het ten onrechte uitbetaalde voorschot van € 9.234,- heeft mogen terugvorderen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
14. Wel krijgt eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 365,- terug, omdat de rechtbank het geconstateerde motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb passeert.
15. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten in beroep. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750,-. Eiseres heeft gevraagd om vergoeding van de reis- en verblijfkosten en verletkosten. Deze kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat het moet gaan om kosten van de partij zelf, en niet – zoals hier het geval is – om de kosten van de gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Fix, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 17, eerste lid, van de NOW 4.
2.Op grond van zowel artikel 18 van Pro de NOW 4 als op grond van artikel 4:95, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.