ECLI:NL:RBMNE:2024:123

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 januari 2024
Publicatiedatum
16 januari 2024
Zaaknummer
UTR 23/6227
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen door UWV met oplegging dwangsom en proceskostenvergoeding

Eiseres diende op 24 maart 2023 een bezwaarschrift in bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het UWV verlengde de beslistermijn tweemaal, maar had op 1 september 2023 nog geen besluit genomen. Eiseres stelde het UWV op 5 september 2023 in gebreke, waarna de rechtbank constateerde dat sindsdien meer dan twee weken waren verstreken zonder besluit.

De rechtbank oordeelde dat het UWV een dwangsom verschuldigd is conform artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en stelde deze vast op € 1.442,-. Vanwege een tekort aan artsen en de daardoor ontstane vertraging bepaalde de rechtbank een nieuwe beslistermijn van vier weken, waarbinnen het UWV alsnog een besluit moet nemen.

Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat de nieuwe termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Het beroep werd kennelijk gegrond verklaard, waardoor het UWV tevens werd veroordeeld tot betaling van het griffierecht en een proceskostenvergoeding van € 218,75 aan eiseres, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde en de lichte aard van de zaak.

De rechtbank vernietigde het niet tijdig genomen besluit en bepaalde dat het UWV binnen vier weken een besluit moet nemen. Eiseres kan tegen deze uitspraak binnen zes weken een verzetschrift indienen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het UWV moet binnen vier weken alsnog beslissen en betaalt dwangsommen en proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/6227

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2024 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. I.E. Mussche),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 10 februari 2023.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar bezwaarschrift ingediend op 24 maart 2023. Bij brief van 12 juli 2023 heeft verweerder meegedeeld de beslistermijn te verlengen tot uiterlijk 1 september 2023.
Vervolgens heeft verweerder bij brief van 3 augustus 2023 meegedeeld dat zij nog geen beslissing kunnen nemen en de beslistermijn nogmaals willen verlengen.
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 1 september 2023 nog steeds niet had beslist. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder op 5 september 2023 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
5. In artikel 4:17 van Pro de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, lid 1, Awb).
6. Verweerder heeft met het besluit van 6 november 2023 de dwangsom correct vastgesteld op € 1.442,-.
7. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder geeft aan dat hij tot op heden niet in staat zijn om een beslissing af te geven, omdat een tekort aan artsen leidt tot een flinke vertraging in de afhandeling van verzoeken om herbeoordeling. De rechtbank ziet hierin aanleiding om, gezien deze omstandigheid, de beslistermijn vast te stellen op vier weken. Dit betekent dat verweerder binnen vier weken na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
9. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb).
10
.Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,25, omdat deze zaak van zeer licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een beroep vanwege het niet tijdig beslissen, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang zeer beperkt is en de aard van de zaak zeer eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak twee categorieën lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 4 september 2023 [1] . Toegekend wordt € 218,75.
11. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 218,75 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2024.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.