Verzoeker diende een verzoek om voorlopige voorziening in tegen een besluit van het CBR van 21 december 2023, samen met een bezwaar. Nadat het CBR op 22 januari 2024 het bezwaar gegrond verklaarde en het besluit herroept, trok verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening in.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om proceskostenveroordeling van verzoeker tegen het CBR. Gezien het feit dat het CBR aan het verzoek tegemoet was gekomen door het besluit te herroepen, werd het verzoek om proceskostenveroordeling toegewezen.
De proceskosten werden vastgesteld op €875,-, gebaseerd op één proceshandeling door de gemachtigde van verzoeker. Daarnaast werd het CBR veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €187,-. De uitspraak werd zonder zitting gedaan en is definitief, zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.