Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 januari 2024 in de zaak tussen
het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder
Staatsbosbeheer
Inleiding
Samenvatting en leeswijzer
Het geschil en de procedure
De onderzoeken en adviezen
De regelgeving over passende maatregelen en de aanschrijvingsbevoegdheid
Algemene overwegingen over de aanschrijvingsbevoegdheid
Overwegingen over hakhoutbeheer
te vermijden, maar afhankelijk van de situatie ook
positieve maatregelenvoor de instandhouding en de verbetering van de staat van het gebied moet omvatten. [13] Richtlijnconforme uitleg van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb leidt er dan ook toe dat de bestuursrechter terughoudend om moet gaan met het oordeel dat bepaalde actieve handelingen
nietkunnen worden geschaard onder de daarin door de nationale wetgever opgenomen formulering “degene die […] een handeling verricht”.
Het betreft hier essenhakhoutbos van het habitattype vochtige alluviale bossen, beekbegeleidende bossen (H91E0C). Het essenhakhout op kleibodem zoals dat in dit gebied voorkomt, vormt een in Europa unieke vorm van dit subtype. Een belangrijk onderdeel van de kwaliteit van het voorkomen in de vorm van essenhakhout zijn de bijzondere epifytische mossenvegetaties die op oude stobben groeien. Het voortbestaan van deze bijzondere mossenvegetaties is afhankelijk van het behoud van geschikte vocht- en lichtomstandigheden. Door het (recente) optreden van essentaksterfte, die veroorzaakt wordt door de schimmel Chalara fraxinea, is de toekomst van het essenhakhoutbeheer onzeker geworden. Omvorming door inboeten met andere boomsoorten is een kansrijke optie om de epifytische mossenflora te behouden.”
Overwegingen over braamopslag
Overwegingen over het waterpeil
bestaanvan de aanschrijvingsbevoegdheid in deze situatie, maar om de
toepassingervan raakt dit ook niet aan een kernelement van de rechtsorde dat de rechtbank ambtshalve moet beoordelen. Het standpunt van het waterschap raakt immers niet aan de uit artikel 2.4 van de Wnb voortvloeiende bevoegdheid voor dit geval als zodanig, maar aan de gestelde uit de Waterwet en de Waterschapswet voortvloeiende belemmeringen voor de toepassing daarvan in deze situatie. Dit betekent dat deze standpunten buiten de omvang van het geding vallen. Het waterschap kan als belanghebbende partij die omvang niet zelfstandig uitbreiden, los van de beroepsgronden van de eisende partij. Gedeputeerde staten kunnen dat ook niet, los van de grenzen van het besluit dat zij zelf genomen hebben en ongewijzigd hebben gelaten.
nietverlangt dat voor de uitvoering van de verplichtingen van de Habitatrichtlijn een aan een lagere overheidsinstantie toegekende bevoegdheid wordt vervolledigd met een op zijn minst subsidiaire initiatiefbevoegdheid van de lidstaat zelf. De lidstaat hoeft zich ook niet in de plaats van een stilzittende lagere overheidsinstantie te stellen, zolang het in het nationale recht vastgestelde stelsel van maatregelen afdoende is om een juiste toepassing van de Habitatrichtlijn mogelijk te maken.