De rechtbank Midden-Nederland behandelde het beroep van een huurder tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een hoekwoning uit 1967. De heffingsambtenaar van de gemeente had de waarde van de woning vastgesteld op €372.000 per 1 januari 2021 en het bezwaar van de huurder ongegrond verklaard.
Tijdens de zitting op 8 maart 2024, waarbij ook een taxateur aanwezig was, werd vastgesteld dat de huurder geen procesbelang heeft. Dit volgt uit het recente arrest van de Hoge Raad van 8 maart 2024, waarin is bepaald dat een beroep tegen een WOZ-beschikking niet ontvankelijk is als degene die het beroep instelt geen financieel belang heeft bij de uitkomst.
De huurder is geen eigenaar maar huurder van de woning, en de WOZ-waarde vormt geen heffingsmaatstaf voor belastingen aan hem. Er is geen sprake van sociale huur en er is geen onderbouwd financieel nadeel of voordeel bij wijziging van de WOZ-waarde. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk verklaard, wordt de zaak niet inhoudelijk beoordeeld en krijgt de huurder geen griffierecht of proceskosten vergoed.