ECLI:NL:HR:2024:238
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid beroep tegen WOZ-beschikking huurder zonder direct financieel belang
Belanghebbende, huurder van een appartement, stelde beroep in tegen een WOZ-beschikking voor 2020. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond op grond van artikel 8:69a Awb, omdat belanghebbende geen direct financieel belang had bij wijziging van de WOZ-waarde. Het Hof bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep eveneens ongegrond.
In cassatie betoogde belanghebbende dat hij wel belang had, omdat artikel 17 Wet Pro WOZ bescherming biedt aan alle belanghebbenden aan wie de beschikking is bekendgemaakt. De Hoge Raad nuanceerde dit en stelde dat indien uit de feiten blijkt dat de gebruiker van de woning door wijziging van de WOZ-waarde niet in een gunstiger positie kan komen, het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Hoge Raad oordeelde dat in deze zaak vaststaat dat het appartement geen niet-geliberaliseerde woonruimte betreft en dat belanghebbende als huurder geen direct financieel gevolg ondervindt van wijziging van de WOZ-waarde. Daarom had het beroep niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in plaats van ongegrond. Dit leidt echter niet tot cassatie omdat ook dan geen inhoudelijke beoordeling mogelijk is.
De overige klachten van belanghebbende werden verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad wees proceskosten af en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de WOZ-beschikking afgewezen wegens gebrek aan direct financieel belang.