ECLI:NL:RBMNE:2024:1936
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning wegens onvoldoende onderbouwing lagere waarde
In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiser de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2021, vastgesteld op €239.000,- naar waardepeildatum 1 januari 2020. Eiser maakte bezwaar tegen het primaire besluit, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de waarde op inzichtelijke wijze heeft onderbouwd met een taxatiematrix waarin de woning wordt vergeleken met drie referentiewoningen in dezelfde plaats. Eiser stelde dat de woning verloederd is en slechter gelegen dan de referentiewoningen, onder meer vanwege het ontbreken van parkeermogelijkheden, maar slaagde er niet in dit voldoende aannemelijk te maken.
Verder wijst de rechtbank het verzoek van eiser om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de duur van de procedure mede is toe te rekenen aan het procederen van de gemachtigde van eiser en de termijn van drie jaar nog niet is overschreden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten of vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.