ECLI:NL:RBMNE:2024:2404
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen vaststelling WOZ-waarde woning en proceskostenvergoeding
Verweerder stelde de WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2023 oorspronkelijk vast op €322.000, wat eiser betwistte. Na bezwaar en beroep erkende verweerder dat de waarde onjuist was en stelde een verlaging voor naar €282.000, waar eiser mee instemde. Het geschil betrof vervolgens alleen de hoogte van de proceskostenvergoeding.
De rechtbank hanteerde een wegingsfactor van 0,5 voor de proceskostenvergoeding, conform haar uitgangspunten, en kende een vergoeding toe van €1.003,26, inclusief vergoeding voor het ingebrachte taxatierapport en het betaalde griffierecht. De rechtbank vernietigde de bestreden uitspraak en stelde de WOZ-waarde formeel vast op €282.000.
De uitspraak benadrukt dat de proceskostenvergoeding wordt berekend op basis van de waarde per punt van €875,- en dat de vergoeding alleen op een bankrekening van eiser mag worden uitbetaald. De uitspraak is openbaar gedaan op 19 april 2024 en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.
Uitkomst: De WOZ-waarde wordt vastgesteld op €282.000 en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.003,26.