Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen omdat dit bestuursorgaan niet tijdig heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling. De rechtbank stelt vast dat verweerder inderdaad te laat was met het nemen van een beslissing en dat eiseres hem tijdig heeft gewezen op de openstaande aanvraag en een ingebrekestelling heeft gestuurd.
De rechtbank oordeelt dat verweerder binnen vier weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom opgelegd van €100 per dag dat de beslissing verder uitblijft, met een maximum van €15.000. Verweerder heeft de dwangsom over de eerdere periode correct vastgesteld op €1.442.
Omdat het beroep gegrond is verklaard, moet verweerder ook het griffierecht van €365 en een proceskostenvergoeding van €218,75 aan eiseres betalen. De rechtbank motiveert de hoogte van de proceskostenvergoeding vanwege het lichte gewicht van de zaak en het beperkte belang.
De uitspraak is gedaan door rechter S.C.A. van Kuijeren en griffier O. Asafiati op 31 januari 2024. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken.