ECLI:NL:RBMNE:2024:2527

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 januari 2024
Publicatiedatum
24 april 2024
Zaaknummer
23/20
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 12 SvArt. 112 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdheidsuitspraak inzake niet-beslissen op bezwaar OM ongegrond verklaard

Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 21 april 2023, waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van het beroep tegen het niet nemen van een beslissing op bezwaar door het Openbaar Ministerie (OM).

De rechtbank oordeelde destijds dat de bestuursrechter niet bevoegd is omdat het bezwaar betrekking heeft op opsporing en vervolging van strafbare feiten, waartegen geen bezwaar- en beroepsmogelijkheden openstaan volgens artikel 1:6 Awb Pro. Opposant betoogde dat het OM verwarring heeft veroorzaakt en dat het niet tijdig nemen van een besluit gelijkstaat aan een besluit waarop de rechtbank zou moeten toetsen.

De rechtbank heeft in deze verzetprocedure beoordeeld of zij terecht zonder zitting en met zekerheid heeft geoordeeld dat zij onbevoegd is. Gezien de dwingende uitsluiting van bevoegdheid in de Awb en de strafrechtelijke aard van de zaak, bevestigt de rechtbank haar eerdere oordeel. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een dwangsom toe te passen en wijst erop dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep mogelijk is.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere onbevoegdheidsuitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/20-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2024 op het verzet van

[opposant], te [woonplaats], opposant.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het niet nemen van een beslissing op zijn bezwaar van 28 juni 2022 door het Openbaar Ministerie Midden-Nederland (het OM).
In de uitspraak van 21 april 2023 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 21 april 2023 zich onbevoegd verklaard, omdat het gaat om een besluit op het bezwaar die betrekking heeft op (het niet in behandeling nemen van) aangiften van strafbare feiten en dus op opsporing en vervolging van strafbare feiten. Hiertegen kan opposant niet in beroep gaan en ook niet tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het OM. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 21 april 2023 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 21 april 2023 niet juist omdat het OM verwarring heeft veroorzaakt waardoor de rechter onjuist heeft besloten. Opposant stelt dat het er niet om gaat of de politie wel of geen onderzoek wil doen naar zijn aangiftes, maar het gaat erom dat het OM geen beslissing wil nemen op zijn bezwaar. Het niet tijdig nemen van een besluit is gelijk te stellen aan een besluit. Daarom heeft opposant de rechtbank verzocht om hierover uitspraak te doen. Pas nadat het OM een besluit heeft genomen kan opposant een artikel 12 Sv Pro-zaak beginnen bij het Gerechtshof tegen het besluit van het OM. Verder verzoekt opposant om ook een dwangsom toe te passen.
4. Opposant heeft bij de bestuursrechter beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar. De bestuursrechter moet altijd eerst de vraag beantwoorden of hij bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. In de Awb zijn over die bevoegdheid regels opgenomen.
5. Ingevolge artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb zijn de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van de Awb niet van toepassing op de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Dat betekent dat tegen besluiten die de opsporing en vervolging van strafbare feiten betreffen geen bezwaar en beroep openstaat, en daarmee ook geen beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen een dergelijk besluit. Nu opposant beroep heeft ingesteld tegen het niet nemen van een beslissing op zijn bezwaar door het OM betreffende aangiften die hij heeft gedaan van strafbare feiten en dus betrekking heeft op opsporing en vervolging van strafbare feiten, heeft de rechtbank in de uitspraak van 21 april 2023 terecht geoordeeld dat de bestuursrechter onbevoegd is om kennis te nemen van het ingestelde beroep. Voor zover het Gerechtshof zich in een artikel 12-Sv procedure onbevoegd zou verklaren wegens het ontbreken van een beslissing op bezwaar van het OM, merkt de verzetsrechter op dat de Burgerlijke rechter bevoegd zou zijn als ‘restrechter’ (artikel 112 van Pro de Grondwet). Dat betekent dat de situatie waarin er geen bevoegde rechter is zich niet voordoet. Daarom is er voor de verzetsrechter geen aanleiding om af te wijken van de uitdrukkelijke en dwingende bevoegdheidsuitsluiting in artikel 1:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.
6. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van
21 april 2023 in stand blijft. De verzetsrechter komt om die reden niet toe aan de vraag of een dwangsom zou moeten worden toegepast.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2024.
griffier rechter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.