Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 mei 2024 in de zaak tussen
Vereniging Algemene Onderwijsbond, gevestigd in Utrecht, eiseres
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
- Opsplitsing naar de vier componenten te weten: 1) contractloonontwikkeling in de markt, 2) incidentele loonontwikkeling in de markt. 3) kabinetsbijdrage pensioenontwikkeling marktsector 4) kabinetsbijdrage sociale lasten ontwikkeling in de markt;
- De gehanteerde formules/aannames/e.d. om het objectieve deel te berekenen;
fair play”en “
equal arms”. Doordat de overheid de informatie wel deelt met werkgevers, maar niet met de werknemers, ontstaat er een ongelijk speelveld tussen de onderhandelende partijen. Dit staat een goede werking van vrije collectieve onderhandelingen, zoals vastgelegd in de ILO-verdragen, in de weg. Ook is er geen helder onderscheid gemaakt tussen situaties waarin de overheid zelf werkgever is en die waarin er vrije werkgevers zijn, die wel de ruimtebrieven krijgen. Zo valt het overheidsbelang samen met het werkgeversbelang, terwijl dat niet hetzelfde is. Het is ook niet de bedoeling dat de financieel-economische situatie van de overheid alles overheersend is. [2] In deze tijd van oplopende inflatie en het lerarentekort wil eiseres een volledig beeld kunnen vormen over de financiële ruimte en de randvoorwaarden van de overheid. Eiseres wil kunnen bepalen hoe de arbeidsvoorwaardenruimte wordt vastgesteld en welke rol de werkgevers daarin vervullen en welke invloed zij uiteindelijk hebben. Volgens eiseres handelt de minister ook niet consequent, omdat er in de jaren 2005, 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 geen vergoeding is uitgekeerd voor contractloonontwikkeling in het onderwijs (nullijn) en de exacte loonruimte voor de vakbonden wel kenbaar was. Eiseres voert verder aan dat de weigeringsgronden over persoonlijke levenssfeer, persoonlijke beleidsopvattingen niet juist zijn toegepast en dat de zoekslag niet volledig is geweest.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser met inachtneming van de uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-;
- bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 365,- vergoedt.