ECLI:NL:RBMNE:2024:3013

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2024
Publicatiedatum
14 mei 2024
Zaaknummer
UTR 24/1092
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 AwbArt. 4:17 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig vaststellen dwangsombeschikking kinderopvangtoeslag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de Belastingdienst/Toeslagen omdat deze niet tijdig een dwangsombeschikking vaststelde naar aanleiding van een ingebrekestelling van 20 april 2023 in het kader van de kinderopvangtoeslag.

De rechtbank stelde vast dat de ingebrekestelling door de Belastingdienst was ontvangen en dat eiser meer dan twee weken daarna beroep had ingesteld. De Belastingdienst had op 17 augustus 2023 een besluit genomen over de herbeoordeling van de toeslag, maar de termijn voor het vaststellen van de dwangsom was toen volledig verstreken en er was nog geen dwangsombeschikking gegeven.

De rechtbank stelde daarom de dwangsom vast op het maximumbedrag van €1.442,- conform artikel 8:55c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tevens werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €218,75 en het betaalde griffierecht van €51,- aan eiser. Het beroep werd gegrond verklaard zonder dat een zitting nodig was.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de dwangsom wordt vastgesteld op het maximumbedrag van €1.442,-.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1092

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2024 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. H. Sala),
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd de dwangsombeschikking heeft vastgesteld naar aanleiding van de ingebrekestelling van
20 april 2023 in het kader van de kinderopvangtoeslag.
Op 25 maart 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [2] Hieronder valt ook het (niet op tijd) vaststellen van een dwangsombeschikking. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [3]
3. Verweerder stelt in het verweerschrift dat de onderhavige ingebrekestelling niet is ontvangen. Desondanks neemt verweerder, gelet op de door de eiser overgelegde bewijsstukken, aan dat hij in gebreke is gesteld. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij brief van 20 april 2023 in gebreke is gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 20 februari 2024, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.
4. Het beroep is gegrond.
5. Eiser heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [4]
6. Verweerder heeft op 17 augustus 2023 een besluit genomen op de aanvraag van eiser om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Omdat de dwangsomtermijn ten tijde van het besluit volledig was volgelopen en tot op heden geen dwangsombeschikking is gegeven, stelt de rechtbank de hoogte van de dwangsom op grond van artikel 8:55c van de Awb vast op het maximumbedrag van € 1.442,-.
Proceskosten en griffierecht
7. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht en onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 4 september 2023 [5] als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,-), bij een wegingsfactor 0,25. Toegekend wordt € 218,75.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 218,75;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
3.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4.Artikelen 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.