ECLI:NL:RBMNE:2024:3233
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning met toekenning immateriële schadevergoeding
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van een vrijstaande woning uit 1934, gelegen op een perceel van 903 m2, met een waardepeildatum van 1 januari 2021. Verweerder handhaaft de waarde van € 1.139.000,-, terwijl eiser een lagere waarde van € 934.000,- vordert. De rechtbank beoordeelt de waarde aan de hand van de vergelijkingsmethode en acht de door verweerder gebruikte referentiewoningen voldoende vergelijkbaar.
Eiser stelt dat verweerder onvoldoende stukken heeft overgelegd en dat de indexering onduidelijk is, maar de rechtbank oordeelt dat verweerder aan zijn bewijslast heeft voldaan en dat de toelichting van de taxateur overtuigend is. Daarnaast wijst de rechtbank het beroep af omdat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.
De procedure heeft echter langer geduurd dan de redelijke termijn, waardoor de rechtbank verweerder en de Staat ieder een immateriële schadevergoeding van € 25,- toekent. Tevens worden proceskosten van € 109,40 per partij toegewezen. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat het beroep ongegrond is verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.