De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 4 maart 2024 de ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, die eerder op 18 maart 2024 werd veroordeeld voor witwassen en een Opiumwet-overtreding. Het Openbaar Ministerie vorderde aanvankelijk €180.209,12, later teruggebracht tot €177.708,12, gebaseerd op een uitgebreide kasopstelling over de periode van 7 december 2015 tot 7 december 2021.
De verdediging stelde primair dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen wegens een bepleite vrijspraak in de strafzaak, subsidiair dat het wederrechtelijk verkregen voordeel aanzienlijk lager was. De rechtbank oordeelde dat de voorwaarden voor toepassing van artikel 36e lid 3 Sr waren vervuld en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel kon worden vastgesteld via de kasopstelling.
De rechtbank verwierp het grootste deel van de door de verdediging aangevoerde legale inkomsten, waaronder handel en casinowinsten, wegens gebrek aan bewijs en aanwijzingen van illegale herkomst van goederen. Wel werd een nalatenschap van €4.000,- als legale inkomsten erkend. Uitgaven aan onder meer twee Rolex-horloges en een BMW werden toegerekend aan de veroordeelde. De kasopstelling resulteerde in een bedrag van €158.364,44 aan wederrechtelijk verkregen voordeel, dat veroordeelde aan de staat moet betalen. De gijzelingstermijn werd vastgesteld op maximaal 1080 dagen.