Eiser en gedaagde sloten een overeenkomst van opdracht waarbij eiser als interim-directeur een basisschool leidde. Gedaagde, een onderwijsstichting, ontbond de overeenkomst wegens vermeende opruiing en diskwalificatie van medewerkers door eiser. Eiser stelde dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst en dat de opzegging verband hield met een klokkenluidersbrief, en vorderde wedertewerkstelling.
De kantonrechter kwalificeerde de overeenkomst op basis van de Haviltex-maatstaf en het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2023 als een overeenkomst van opdracht. Eiser had zelfstandige vrijheid in de uitvoering, factureerde via zijn eenmanszaak, en er was geen gezagsverhouding die kenmerkend is voor een arbeidsovereenkomst. De opzegging door gedaagde was daarom rechtsgeldig.
De kantonrechter oordeelde voorts dat het causaal verband tussen de klokkenluidersbrief en de opzegging niet was bewezen, zodat de klokkenluidersbescherming niet van toepassing was. In reconventie werd de beëindiging van de overeenkomst per 4 december 2023 verklaard en werden aan eiser verboden opgelegd om vertrouwelijke informatie te delen en contact te onderhouden met medewerkers en derden over organisatieaangelegenheden, onder dwangsom.
Eiser werd veroordeeld in de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.