ECLI:NL:RBMNE:2024:4177
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning; proceskostenveroordeling wegens schending artikel 40 Wet WOZ
Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn twee-onder-een-kapwoning uit 1905, gelegen aan een adres in een Nederlandse plaats, en stelt een lagere waarde van € 332.000 voor. De heffingsambtenaar handhaaft de waarde van € 345.000, gebaseerd op een taxatiematrix met drie vergelijkbare woningen.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld, mede door een degelijke vergelijking met referentiewoningen en een onderbouwing van kwaliteits- en onderhoudsfactoren. De door eiser aangevoerde gebreken en verschillen leiden niet tot een andere waardering.
Eiser stelt daarnaast dat de heffingsambtenaar de toezendverplichting uit artikel 40, tweede lid, Wet WOZ heeft geschonden door niet alle gegevens over KOUDVL-correcties te verstrekken. De rechtbank constateert deze schending, maar passeert het gebrek omdat de taxatiematrix in beroep is overlegd en beoordeeld. Wel wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht die eiser in beroep heeft moeten maken.
De rechtbank volgt niet de lijn van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden die in vergelijkbare zaken geen proceskostenveroordeling uitspreekt bij schending van artikel 40 Wet Pro WOZ, vanwege het belang van rechtseenheid en de complexiteit van het beoordelen van het beroepsmotief. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de heffingsambtenaar moet € 875 aan proceskosten en € 50 aan griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht wegens schending van artikel 40 Wet WOZ.