Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 februari 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente]
Inleiding
€ 388.000,- (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan eiseres ook de aanslagin de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [gemeente] voor het jaar 2022 opgelegd (de aanslag).
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
Artikel 40 Wet Pro WOZ
€ 36.000,-, en de huurcijfers van [adres 2] en [adres 3] .
–geen verlenging van een bestaand huurcontract. Eiseres is op die datum – en dus tijdens de coronapandemie – het huurcontract aangegaan. De enkele stelling op de zitting van eiseres dat dit niet klopt, overtuigt de rechtbank niet. De heffingsambtenaar wijst er naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat het gelet op deze omstandigheid aannemelijk is dat de eventuele invloed van de coronapandemie verdisconteerd is in het overeengekomen verkoopcijfer. Bovendien wijst de heffingsambtenaar er terecht op dat dit huurcijfer in lijn ligt met de overige referentiehuren, die ook in de coronapandemie tot stand zijn gekomen. Voor zover de huren lager liggen, is dat te verklaren door het verschil in ligging en de bouwkwaliteit van de objecten. De heffingsambtenaar heeft deze factoren kenbaar betrokken in de matrix. De beroepsgrond slaagt niet.
Kapitalisatiefactor
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
1 februari 2024.