De heffingsambtenaar van de gemeente Almere legde zes naheffingsaanslagen parkeerbelasting op aan een bedrijf als kentekenhouder. Eiser, als feitelijk bestuurder en parkeerder, maakte bezwaar tegen deze aanslagen. De heffingsambtenaar verlengde de beslistermijn en deed uiteindelijk op tijd uitspraken op bezwaar. Eiser stelde daarop beroep in wegens het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelde dat de uitspraken op bezwaar wel aan eiser waren gericht, ondanks dat de kentekenhouder als geadresseerde stond vermeld, omdat de gemachtigde van eiser was opgenomen en de inhoudelijke bezwaren overeenkwamen met die van eiser. De ingebrekestelling was tijdig ontvangen en de uitspraken op bezwaar waren binnen de wettelijke termijn gedaan.
Omdat de aanslagen met de uitspraken op bezwaar waren vernietigd, had eiser geen procesbelang bij de beroepen. Daarom verklaarde de rechtbank de beroepen tegen het niet tijdig beslissen en tegen de inhoudelijke uitspraken op bezwaar niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd mondeling gedaan op 14 juni 2024.