Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
[derde-partij] B.V., uit [vestigingsplaats]
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser, werkzaam als lader/losser, meldde zich in mei 2018 ziek en vroeg in juni 2020 een WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem een loonaanvullingsuitkering toe wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling op verzoek van de werkgever concludeerde het UWV dat eiser slechts 30,63% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per mei 2023. Eiser maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of het medisch onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig en juist was uitgevoerd. Ondanks enkele door eiser aangevoerde onzorgvuldigheden en het gebruik van medicatie concludeerde de rechtbank dat de rapporten betrouwbaar zijn en dat de beperkingen passend zijn vastgesteld. Ook de arbeidskundige beoordeling werd niet betwist.
De rechtbank oordeelde verder dat de toekenning van een gehandicaptenparkeerkaart een ander toetsingskader kent dan de beoordeling van arbeidsongeschiktheid en dat de psychische klachten van eiser voldoende zijn meegewogen. Het verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde de beëindiging van de WIA-uitkering.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.