De zaak betreft een geschil tussen huurder en verhuurder over de beëindiging van een huurovereenkomst voor een kamer, aangegaan voor bepaalde tijd van 1 maart 2024 tot 1 maart 2025. De verhuurder heeft de sloten van het gehuurde vervangen, stellende dat de huurovereenkomst was geëindigd per 31 juli 2024 vanwege een vermeende opzegging binnen een proefperiode bij hospitaverhuur.
De huurder vordert in kort geding dat de verhuurder hem opnieuw toegang verschaft tot het gehuurde en het onmogelijk maken van toegang verbiedt. De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van hospitaverhuur omdat de verhuurder niet zelf in het gehuurde woonde bij aanvang van de huurovereenkomst. Hierdoor is de opzegging niet rechtsgeldig en is de huurovereenkomst niet geëindigd.
De verhuurder kon daarom niet overgaan tot het vervangen van de sloten en het ontzeggen van de toegang. Ook een beroep op redelijkheid en billijkheid om ontruiming te rechtvaardigen wordt verworpen, mede gelet op het grote belang van de huurder, een buitenlandse student met een beperkt netwerk. De vorderingen van de huurder worden toegewezen en de verhuurder wordt veroordeeld tot het verschaffen van toegang en het betalen van een dwangsom bij niet-naleving.