De heffingsambtenaar van de gemeente stelde de WOZ-waarde van de woning van eiser op €549.000,- per 1 januari 2022 vast en legde op basis daarvan een aanslag onroerendezaakbelasting op. Eiser ging tegen deze beschikking in bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank behandelde de zaak op 20 juni 2024, waarbij ook de taxateur van de heffingsambtenaar aanwezig was. De kern van het geschil betrof de juistheid van de WOZ-waarde. Eiser stelde een lagere waarde van €535.000,- voor, onder meer vanwege de gedateerde voorzieningen en het matige duurzaamheidsniveau van de woning.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin vier referentiewoningen werden vergeleken. De rechtbank oordeelde dat deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met verschillen in onderhoud en voorzieningen. De bezwaren van eiser werden niet voldoende onderbouwd.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde de WOZ-waarde van €549.000,-. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.