Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het verzoekschrift van de moeder (met bijlagen), binnengekomen op 13 mei 2024;
- het bericht van de moeder van 31 mei 2024 met bijlagen.
Rechtbank Midden-Nederland
De ouders van de minderjarige zijn sinds februari 2024 gescheiden en hadden gezamenlijk gezag over hun tweejarige zoon. De moeder woont met het kind en voert feitelijk al het gezag uit, terwijl de vader geen bijdrage levert aan de opvoeding, onbereikbaar is en geen uitvoering geeft aan zijn ouderlijk gezag. De moeder verzocht de rechtbank om het gezag eenhoofdig aan haar toe te kennen.
De rechtbank behandelde het verzoek tijdens een mondelinge zitting op 20 augustus 2024, waarbij de vader niet aanwezig was maar wel correct was opgeroepen. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming ondersteunden het verzoek. De rechtbank oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig was vanwege het aflopen van de ondertoezichtstelling en de noodzaak om duidelijkheid te scheppen over het gezag.
De rechtbank stelde vast dat het in het belang van het kind is dat de moeder het gezag alleen krijgt, omdat de vader al lange tijd niet betrokken is en onbereikbaar blijft. De ondertoezichtstelling is niet langer noodzakelijk bij de moeder, maar was gericht op de vader. De moeder kan nu zelfstandig belangrijke beslissingen nemen zonder afhankelijk te zijn van de vader of hulpinstanties. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kan in hoger beroep worden aangevochten.
Uitkomst: De moeder wordt eenhoofdig belast met het gezag over de minderjarige, met onmiddellijke ingang.