ECLI:NL:RBMNE:2024:5265

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 augustus 2024
Publicatiedatum
4 september 2024
Zaaknummer
C/16/575683 / FO RK 24-630
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a lid 1 sub b BWArt. 1:255 BWArt. 809 lid 1 RvArt. 29a lid 1 RvArt. 29a lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Moeder krijgt eenhoofdig gezag over minderjarige na langdurige afwezigheid vader

De ouders van de minderjarige zijn sinds februari 2024 gescheiden en hadden gezamenlijk gezag over hun tweejarige zoon. De moeder woont met het kind en voert feitelijk al het gezag uit, terwijl de vader geen bijdrage levert aan de opvoeding, onbereikbaar is en geen uitvoering geeft aan zijn ouderlijk gezag. De moeder verzocht de rechtbank om het gezag eenhoofdig aan haar toe te kennen.

De rechtbank behandelde het verzoek tijdens een mondelinge zitting op 20 augustus 2024, waarbij de vader niet aanwezig was maar wel correct was opgeroepen. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming ondersteunden het verzoek. De rechtbank oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig was vanwege het aflopen van de ondertoezichtstelling en de noodzaak om duidelijkheid te scheppen over het gezag.

De rechtbank stelde vast dat het in het belang van het kind is dat de moeder het gezag alleen krijgt, omdat de vader al lange tijd niet betrokken is en onbereikbaar blijft. De ondertoezichtstelling is niet langer noodzakelijk bij de moeder, maar was gericht op de vader. De moeder kan nu zelfstandig belangrijke beslissingen nemen zonder afhankelijk te zijn van de vader of hulpinstanties. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kan in hoger beroep worden aangevochten.

Uitkomst: De moeder wordt eenhoofdig belast met het gezag over de minderjarige, met onmiddellijke ingang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/575683 / FO RK 24-630
Gezag
Beschikking van 20 augustus 2024
in de zaak van:
[moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. F.J. Sol,
tegen
[vader],
verblijvende op een voor de rechtbank onbekend adres,
hierna te noemen: de vader.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de moeder (met bijlagen), binnengekomen op 13 mei 2024;
  • het bericht van de moeder van 31 mei 2024 met bijlagen.
1.2.
Het verzoek van de moeder is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 20 augustus 2024. Tegelijkertijd is het verzoek van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna: de GI) om een verlenging van de ondertoezichtstelling behandeld (zaak- en rekestnummer C/16/577482 / JE RK 24-1073). De beslissing op dat verzoek is opgenomen in een aparte beschikking. Bij de zitting waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
- [B] namens de GI.
De vader is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen. De GI heeft op de zitting bevestigd dat de vader wel op de hoogte was van de zitting.
1.3.
In de wet staat dat de kinderrechter een kind vanaf twaalf jaar of ouder in de gelegenheid moet stellen om te vertellen wat hij van het verzoek vindt. Als een kind jonger is, mág de kinderrechter dat doen. [1] In dit geval heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de minderjarige [minderjarige] , de zoon van de ouders, te vragen wat hij van het verzoek vindt, omdat hij pas twee jaar oud is.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest tot februari 2024.
2.2.
Zij hebben samen een kind: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] . [minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hem nemen.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 augustus 2023 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 25 augustus 2024. Op 20 augustus 2024 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI om een verlenging van de ondertoezichtstelling afgewezen.
2.5.
De moeder vraagt om haar alleen met het gezag over [minderjarige] te belasten.
2.6.
De vader voert geen verweer.
2.7.
De Raad ondersteunt het verzoek van de moeder.

3.De beoordeling

De beslissing
3.1.
De rechtbank wijst het verzoek van de moeder toe en belast haar met het eenhoofdige gezag over [minderjarige] . Dit betekent dat de moeder voortaan alleen de beslissingen over [minderjarige] mag nemen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
Het spoedeisend belang van de mondelinge uitspraak
3.2.
Uit de wet volgt dat de rechtbank in beginsel geen mondelinge uitspraak kan doen als niet alle belanghebbenden aanwezig zijn op de zitting, tenzij er sprake is van een spoedeisend belang. [2] Het spoedeisend belang is hier aanwezig omdat de ondertoezichtstelling binnen vijf dagen afloopt en de termijn voor de uitspraak over het gezag in beginsel vier weken bedraagt. In deze zaak is de ondertoezichtstelling gekoppeld aan het gezamenlijk gezag, omdat de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling niet noodzakelijk vindt als de moeder alleen wordt belast met het gezag over [minderjarige] . Er zijn namelijk geen zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder thuis. De ondertoezichtstelling is enkel nog gericht op de vader, die al een lange tijd uit beeld is. De rechtbank ziet geen aanleiding om de ondertoezichtstelling nog langer te verlengen, omdat niet meer is voldaan aan de wettelijke grondslag van artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Zonder mondelinge uitspraak over het ouderlijk gezag zou aldus een periode ontstaan waarbij er geen betrokkenheid van de GI is terwijl er wel gezamenlijk ouderlijk gezag is. Deze situatie acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] . Daarom heeft de rechtbank zowel op het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling te verlengen als op het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag mondeling uitspraak gedaan.
De motivering van de beslissing
3.3.
In de wet staat dat de rechtbank het gezag van een ouder kan beëindigen als zij dit in het belang van het kind noodzakelijk vindt. [3] Dat is hier het geval. Feitelijk voert de moeder het gezag over [minderjarige] al alleen uit sinds de ouders uit elkaar zijn. De vader heeft [minderjarige] al een lange tijd niet gezien en hij is niet betrokken in zijn leven. Hij levert geen bijdrage aan de opvoeding en verzorging van [minderjarige] en geeft geen uitvoering aan zijn ouderlijk gezag. Daar komt bij dat de vader onbereikbaar is. Het lukt de moeder en de GI niet om contact met de vader te krijgen, ook niet als er belangrijke beslissingen voor [minderjarige] genomen moeten worden. In de afgelopen periode is het toch steeds gelukt om zaken voor [minderjarige] te kunnen regelen, maar daar was wel de hulp van de GI of welwillende instanties voor nodig. Op de zitting zijn hiervan een aantal voorbeelden genoemd, zoals de inschrijving op de school voor [minderjarige] , de wisseling van gastouder en de keer dat [minderjarige] was gevallen en zijn tanden had gebroken, waarvoor hij naar de kinder- en tandarts moest. Gelukkig zijn deze zaken geregeld, maar dit kan niet op deze manier door blijven gaan. Een GI kan niet betrokken blijven enkel om de ontbrekende toestemming van de vader te ondervangen, daar is een ondertoezichtstelling niet voor bedoeld. De rechtbank vindt het belangrijk dat de moeder zelf alles voor [minderjarige] kan regelen, zonder dat zij hiervoor afhankelijk is van de bereikbaarheid en betrokkenheid van de vader.
3.4.
Dat het gezag van de vader wordt beëindigd, betekent niet dat er in de toekomst geen omgang kan zijn tussen de vader en [minderjarige] . Als de vader zijn verslaving onder controle heeft en weer in beeld verschijnt, is het belangrijk dat de ouders via de hulpverlening in het vrijwillig kader afspraken gaan maken over het contact. De moeder heeft toegezegd dat zij hieraan zal meewerken. Zij heeft dit eerder ook gedaan, onder andere door het contact tussen [minderjarige] en de familie van de vader te herstellen.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.5.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat het gezag over [minderjarige] vanaf nu alleen toekomt aan de moeder;
4.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. R.M. Maliepaard, (kinder)rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is mondeling en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2024 en op schrift gesteld op 27 augustus 2024.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
SC
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Voetnoten

1.Artikel 809 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
2.Artikel 29a lid 1 en lid 5 Rv.
3.Artikel 1:251a lid 1 sub b BW