Verzoeker heeft bijzondere bijstand gevraagd voor de kosten van het griffierecht van vier civiele procedures, maar deze aanvragen zijn afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd. Verzoeker heeft vervolgens een voorlopige voorziening gevraagd, die op 30 juli 2024 werd afgewezen. Opnieuw verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening, waarbij hij drie beschikkingen van de rechtbank overlegde die hem een termijn van twee maanden geven om het griffierecht te betalen.
De voorzieningenrechter verleent verzoeker vrijstelling van de griffierechtbetaling voor deze procedure, maar constateert dat er geen spoedeisend belang is omdat verzoeker nog twee maanden heeft om het griffierecht te voldoen. Daarnaast is niet gebleken dat zijn financiële situatie zodanig is dat hij niet kan reserveren uit zijn bijstandsuitkering. Het bestreden besluit is niet evident onrechtmatig omdat bijzondere bijstand voor een schuld op grond van de Participatiewet in beginsel niet wordt verleend en verzoeker geen bijzondere omstandigheden heeft aangetoond.
De voorzieningenrechter erkent het belang van verzoeker om zijn civiele zaken aan de rechter voor te leggen, maar acht dit belang niet zwaarwegend genoeg om een voorlopige voorziening te treffen. Daarom wordt het verzoek afgewezen en is er geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.