ECLI:NL:RBMNE:2024:5451

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 juni 2024
Publicatiedatum
16 september 2024
Zaaknummer
UTR 23/3058
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar overzicht openstaande vorderingen

Eiser maakte bezwaar tegen een overzicht van drie openstaande vorderingen van verweerder, opgenomen in een besluit waarbij verweerder afzag van verdere invordering van een andere vordering. Verweerder verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk omdat het overzicht geen besluit is waarop bezwaar mogelijk is.

De rechtbank oordeelt dat het overzicht van openstaande vorderingen geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb, omdat het geen rechtsgevolg heeft en slechts een mededeling betreft. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.

Eiser stelde dat hij onterecht als fraudeur werd gezien en dat hij extra tijd wenste om dossierstukken in te brengen, maar de rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. De rechtbank laat de overige stellingen van eiser over de juistheid van de vorderingen onbesproken.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3058

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2024 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

en

Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom, verweerder

(gemachtigde: mr. W.M.M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten af te zien van verdere invordering van de vordering met vorderingsnummer 207899 van (op dat moment)
€ 1.114,54. Verweerder heeft hierbij een overzicht opgenomen van drie andere nog openstaande vorderingen van verweerder op eiser.
Eiser is het niet eens met - voor zover relevant - het overzicht van openstaande vorderingen en heeft bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 19 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder is het overzicht van de drie openstaande vorderingen niet aan te merken als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft vervolgens geconcludeerd dat geen bezwaar kan worden aangetekend tegen de mededeling dat eiser maar een keer per 12 maanden een individuele inkomenstoeslag kan aanvragen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2024. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [plaats] , [functie] bij verweerder.

Overwegingen

1. Eiser heeft in beroep - kort gezegd - aangevoerd dat hier sprake is van een toeslagenaffaire 2.0. Volgens eiser heeft hij een klacht ingediend en geen bezwaar gemaakt. Hij is nu wel in beroep gegaan, omdat de genoemde vorderingen feitelijk niet bestaan. En een niet bestaande vordering kan ook niet worden kwijtgescholden. Eiser heeft omgekeerd nog veel achterstallige vorderingen op verweerder. Volgens eiser heeft verweerder hem vanaf 1 april 2015 ten onrechte gezien als fraudeur en uitgesloten van de bijstand. Als gevolg daarvan heeft hij jaren geen geld gehad en moeten leven van de Voedselbank. Hij heeft verweerder gevraagd om inzage in zijn volledige dossier, om de verantwoordelijke ambtenaren te kunnen aanspreken en alsnog zijn recht te kunnen halen. Eiser wil extra tijd om deze dossierstukken te kunnen inbrengen en bespreken op een zitting.
2. De rechtbank beschouwt allereerst de vermelding van de individuele inkomenstoeslag in het bestreden besluit, zoals verweerder ter zitting heeft erkend, als een kennelijke misslag die abusievelijk door verweerder in het bestreden besluit is opgenomen, waaraan de rechtbank geen consequenties verbindt.
3. De vraag die de rechtbank hier moet beantwoorden is of verweerder het bezwaar van eiser met de gegeven motivering terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit rechtspraak [1] van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), volgt namelijk dat een schriftelijke mededeling over de hoogte van nog terug te betalen bedragen, waarover in het verleden al besluiten zijn genomen, niet op rechtsgevolg is gericht en dus geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waar bezwaar tegen gemaakt kan worden.
Deze rechtspraak geldt ook voor het overzicht van de drie nog openstaande vorderingen in het primaire besluit. De rechtbank ziet in de stellingen van eiser geen aanknopingspunt om af te wijken van deze rechtspraak. De rechtbank heeft in deze procedure dan geen mogelijkheid om de overige stellingen van eiser (over de juistheid van de drie nog openstaande vorderingen) te beoordelen. Daarom laat de rechtbank deze stellingen van eiser onbesproken. Voor de door eiser gewenste extra tijd om dossierstukken in deze procedure in te brengen ziet de rechtbank geen aanknopingspunt.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 22 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:732