Deze uitspraak betreft het verzet van opposante tegen de eerdere uitspraak van 26 april 2023, waarin haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit van de Belastingdienst/Toeslagen niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet (tijdig) voldoen van het griffierecht.
De rechtbank had toen zonder zitting beslist omdat zij geen twijfel had over de uitkomst. In het verzet wordt aangevoerd dat opposante de griffierechtnota van 9 februari 2023 niet heeft ontvangen en niet heeft getekend voor ontvangst. Navraag wees uit dat de ondertekening niet door de gemachtigde of diens kantoor was gedaan en dat er op dat moment niemand aanwezig was op kantoor.
De rechtbank oordeelt dat er voldoende grond is om te twijfelen aan de ontvangst van de aangetekende brief door opposante of haar gemachtigde. Hierdoor kan het niet betalen van het griffierecht niet aan opposante worden toegerekend. Het verzet is daarom gegrond en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt. De zaak wordt hervat in de stand van vóór de uitspraak van 26 april 2023 en verder behandeld. Over proceskosten wordt nog geen beslissing genomen.