Eiser was werkzaam als salesadviseur en meldde zich op 9 december 2020 ziek, waarna hij zich op 20 december 2020 volledig hersteld meldde. Op 3 mei 2021 meldde hij zich opnieuw ziek met energetische klachten. Het UWV kende hem een IVA-uitkering toe met ingang van 28 oktober 2023, met een dagloon vastgesteld op €217,61. Na bezwaar stelde het UWV het recht op IVA-uitkering vast per 1 mei 2023 met een dagloon van €211.
Eiser betwistte de vaststelling van de eerste ziektedag en het dagloon, stellende dat hij een ‘medische afzakker’ is die na de eerste ziekmelding in 2020 niet volledig hersteld was in loonwaarde. Hij voerde aan dat het dagloon op basis van een eerdere eerste ziektedag moest worden berekend en dat nabetaling van vakantiegeld ten onrechte niet was meegenomen.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vóór 3 mei 2021 lag. De brief van de werkgever bevestigde wel gedeeltelijk het standpunt van eiser, maar zonder medische stukken was dit onvoldoende. Ook de overgelegde corona-test en bericht van de bedrijfsarts boden geen voldoende bewijs. Ten aanzien van het vakantiegeld stelde de rechtbank dat eiser niet had aangetoond dat hij zijn werkgever tijdig en ondubbelzinnig had gemaand tot betaling tijdens de referteperiode.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard, het UWV had het dagloon en de eerste ziektedag correct vastgesteld. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.