Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2024:5638

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 september 2024
Publicatiedatum
30 september 2024
Zaaknummer
UTR 24/2463
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet WIAArt. 13 Dagloonbesluit werknemersverzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling juiste eerste ziektedag en dagloon bij toekenning IVA-uitkering

Eiser was werkzaam als salesadviseur en meldde zich op 9 december 2020 ziek, waarna hij zich op 20 december 2020 volledig hersteld meldde. Op 3 mei 2021 meldde hij zich opnieuw ziek met energetische klachten. Het UWV kende hem een IVA-uitkering toe met ingang van 28 oktober 2023, met een dagloon vastgesteld op €217,61. Na bezwaar stelde het UWV het recht op IVA-uitkering vast per 1 mei 2023 met een dagloon van €211.

Eiser betwistte de vaststelling van de eerste ziektedag en het dagloon, stellende dat hij een ‘medische afzakker’ is die na de eerste ziekmelding in 2020 niet volledig hersteld was in loonwaarde. Hij voerde aan dat het dagloon op basis van een eerdere eerste ziektedag moest worden berekend en dat nabetaling van vakantiegeld ten onrechte niet was meegenomen.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vóór 3 mei 2021 lag. De brief van de werkgever bevestigde wel gedeeltelijk het standpunt van eiser, maar zonder medische stukken was dit onvoldoende. Ook de overgelegde corona-test en bericht van de bedrijfsarts boden geen voldoende bewijs. Ten aanzien van het vakantiegeld stelde de rechtbank dat eiser niet had aangetoond dat hij zijn werkgever tijdig en ondubbelzinnig had gemaand tot betaling tijdens de referteperiode.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard, het UWV had het dagloon en de eerste ziektedag correct vastgesteld. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard; het UWV heeft de eerste ziektedag en het dagloon correct vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2463

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Tracey),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: R. van den Brink).

Inleiding

1. Eiser is vanaf 1 november 2016 werkzaam geweest bij [werkgever] (de werkgever) als salesadviseur/verkoper zonnepanelen. Op 9 december 2020 heeft hij zich ziekgemeld, waarna hij per 20 december 2020 volledig hersteld is gemeld. Op 3 mei 2021 heeft eiser zich opnieuw ziek gemeld met energetische klachten.
1.1.
Met het besluit van 21 november 2023 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan eiser meegedeeld dat hij met ingang van 28 oktober 2023 recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is (IVA-uitkering). Het dagloon is daarbij vastgesteld op € 217,61. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het bestreden besluit van 20 februari 2024 heeft het Uwv het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Eiser heeft met ingang van 1 mei 2023 recht op een IVA-uitkering. Het dagloon per 1 mei 2023 is vastgesteld op € 211,-. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.
1.3.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft naar aanleiding van een door de rechtbank voor de zitting gestelde vraag, nadere stukken ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
2. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA, wordt voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon beschouwd 1/261e deel van het loon dat de werknemer in de referteperiode verdiende.
3. Onder referteperiode voor de Wet Wia wordt verstaan de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden. [1]
Waar gaat deze zaak over?
4. In deze zaak is niet in geschil dat eiser volledig én duurzaam arbeidsongeschikt is. Slechts in geschil is de hoogte van het door het Uwv vastgestelde dagloon. Eiser voert aan dat hij moet worden aangemerkt als een ‘medische afzakker’. Hij heeft na de ziekmelding in december 2020 op enig moment wel volledig in uren hervat maar niet in zijn volledige loonomvang. Door uit te gaan van een eerdere eerste ziektedag, zal een hoger dagloon voor eiser moeten worden vastgesteld. Ook is het nabetaalde vakantiegeld ten onrechte niet bij de berekening betrokken.
5. Op de zitting is besproken dat eiser alleen in zijn standpunt kan worden gevolgd dat het dagloon onjuist door het Uwv is vastgesteld, als moet worden uitgegaan van een eerdere arbeidsongeschiktheidsdag dan 3 mei 2021. Het geding beperkt zich dus tot de vraag of eiser kan worden gevolgd in zijn standpunt dat voor de vaststelling van het dagloon moet worden uitgegaan van het loon dat hij verdiende bij zijn voormalige werkgever in het refertejaar voorafgaand aan zijn eerste ziekmelding op 9 december 2020, omdat hij daarna nooit meer volledig is hersteld voor zijn eigen werk.
6. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het dagloon juist is berekend volgens de wettelijke regels. Het Uwv gaat uit van 3 mei 2021 als eerste ziektedag. Volgens het Uwv kan op basis van medische gegevens niet worden vastgesteld dat de eerste ziektedag 9 december 2020 dient te zijn.

Is het Uwv uitgegaan van de juiste eerste ziektedag?

7. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep leidt de rechtbank af dat het op de weg van eiser ligt om te onderbouwen dat de eerdere ziekmelding in 2020 – ondanks de tussentijdse melding dat hij volledig is hersteld – moet worden aangemerkt als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. [2] Voor het aannemen van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag is bepalend of eiser voldoende heeft onderbouwd dat hij ten gevolge van zijn gezondheidsklachten niet meer in staat was tot het verrichten van zijn werkzaamheden in de voor hem normale volle omvang en dus de omvang van het werk om medische redenen is teruggebracht.
8. Uit de brief van de werkgever, die het beroep van eiser ondersteunt, volgt dat terug kijkend, langere tijd sprake is geweest van geen volledig herstel in de werkzaamheden. De werkgever schrijft dat eiser op 21 december 2020 op advies van de arbodienst arbeidsgeschikt werd gemeld. Volgens de werkgever hervatte eiser geleidelijk wel volledig in het aantal uren, maar niet met een volledige loonwaarde. Ten aanzien van het inkomen heeft eiser een basisloon met een provisiestructuur. Deze provisiestructuur houdt in dat als afspraken bij klanten worden omgezet in opdrachten dit een aanvulling op het basisinkomen betekent. Sinds december 2020 is het eiser vanwege gezondheidsklachten niet meer gelukt om in deze uren effectief te presteren en is er volgens de werkgever dus sprake van inkomensverlies voor eiser.
9. Hoewel deze brief het standpunt van eiser onderbouwt dat hij vanwege gezondheidsklachten sinds zijn eerdere ziekmelding in december 2020 wel volledig in uren is hervat, maar niet in loonwaarde, biedt de brief, zonder onderliggende medische stukken, onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van een eerdere arbeidsongeschiktheidsdag. Naar aanleiding van de brief van de werkgever heeft de rechtbank eiser, voorafgaand aan de zitting, in de gelegenheid gesteld om alsnog (medische) informatie, bijvoorbeeld stukken van de arbodienst over de periode 20 december 2020 tot 3 mei 2021, te overleggen. Ook uit deze navraag blijkt dat er geen (medische) stukken over deze periode zijn opgemaakt, bijvoorbeeld door de arbodienst. Wel heeft eiser de uitslag van corona sneltest overgelegd en een bericht van de praktijkondersteuner bedrijfsarts van 18 mei 2021 waarin staat dat eiser eind december ook klachten heeft gehad door de heersende ziekte (
de rechtbank begrijpt Covid-klachten). Deze informatie onderbouwt echter onvoldoende dat in periode van 20 december 2020 tot 3 mei 2021 de omvang van eisers werk om medische redenen is teruggebracht.
10. De rechtbank is van oordeel dat eiser met de overgelegde informatie dan ook onvoldoende heeft onderbouwd dat van een eerdere eerste dag van arbeidsongeschiktheid moet worden uitgegaan dan de dag dat eiser zich opnieuw heeft ziekgemeld. Gelet hierop is de rechtbank dan ook van oordeel dat het Uwv de eerste ziektedag van eiser terecht op 3 mei 2021 heeft gesteld.

Had het Uwv de nabetaling van het vakantiegeld moeten meenemen?

11. Eiser voert aan dat de nabetaling van zijn achterstallige vakantiegeld had moeten worden meegenomen bij de bepaling van zijn dagloon. Eiser geeft daarbij aan dat hij samen met zijn collega’s, sinds de overname van het bedrijf door zijn werkgever in 2019, heeft geklaagd over het te weinig ontvangen vakantiegeld. Tijdens zijn ziekteverlof zijn er onderhandelingen gevoerd met de werkgever, die in 2023 zijn afgerond. De werkgever is dus collectief gemaand om het achterstallige vakantiegeld uit te keren, daardoor is eiser van mening dat hij zijn werkgever hierover tijdig heeft aangesproken.
12. De rechtbank is het niet eens met eiser. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [3] volgt dat eiser moet aantonen dat hij tijdens de referteperiode zijn werkgever op niet mis te verstane wijze heeft gemaand het te weinig ontvangen vakantiegeld aan hem uit te betalen. Eiser heeft hiervan geen bewijzen ingebracht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Uwv terecht de nabetaling van het vakantiegeld niet bij de berekening van het dagloon heeft meegenomen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2024.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd om deze uitspraak mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen.
2.Zie de uitspraak van de CRvB van 5 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:36.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2038.