ECLI:NL:CRVB:2022:2038
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling dagloonvaststelling en nabetaling in WIA-uitkeringszaak
Appellante was werkzaam als promotiemedewerkster en meldde zich ziek per 21 december 2016. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe per 19 december 2018 en later een IVA-uitkering wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid per 19 december 2019. Appellante voerde beroep aan tegen de vaststelling van het dagloon en maatmanloon.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, omdat niet was gebleken dat vakantiedagen die in de referteperiode vielen niet inbaar waren. Appellante stelde in hoger beroep dat een nabetaling van € 4.572,96 in februari 2017 ten onrechte niet was meegenomen in de dagloonberekening.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit alleen loon dat in de referteperiode vorderbaar maar niet inbaar was, meegenomen moet worden. Appellante had niet aangetoond dat zij haar werkgever tijdens de referteperiode op niet mis te verstane wijze had gemaand tot betaling. De e-mail van 16 februari 2017 was na de referteperiode. Mondelinge aanmaning voldeed niet aan de vereisten.
Daarom was het UWV niet verplicht de nabetaling mee te nemen in de dagloonberekening. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de nabetaling van februari 2017 niet heeft meegenomen in de dagloonberekening.