ECLI:NL:RBMNE:2024:5654
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning en toekenning immateriële schadevergoeding
Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €1.077.000,- per 1 januari 2021, en vorderde een lagere waarde van €999.000,-. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde na bezwaar. De rechtbank beoordeelde het beroep en stelde vast dat de door de heffingsambtenaar overgelegde taxatiematrix met vergelijkbare woningen voldoende aannemelijk maakte dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld.
De rechtbank wees een referentiewoning buiten beschouwing vanwege een ongepaste correctie van bijna €200.000,- op de verkoopprijs, maar vond dat de overige vergelijkingsobjecten adequaat waren gekozen en dat de waardering zorgvuldig was onderbouwd. Eiser bracht op de zitting nieuwe argumenten naar voren die niet tijdig waren ingebracht, wat in strijd was met de goede procesorde, waardoor deze niet in behandeling werden genomen.
Daarnaast verzocht eiser om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de overschrijding grotendeels te wijten was aan het beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde van eiser, die veel zaken tegelijk behandelde. De redelijke termijn werd met 12 maanden verlengd, maar er bleef een overschrijding van twee maanden over, waarvoor een vergoeding van €50,- werd toegekend.
De rechtbank veroordeelde de Staat tot betaling van deze schadevergoeding en de proceskosten van €218,75. Het beroep werd ongegrond verklaard en het door eiser betaalde griffierecht werd niet vergoed. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Wolbrink op 16 april 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de Staat wordt veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €50,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.