Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2024:5761

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 september 2024
Publicatiedatum
8 oktober 2024
Zaaknummer
UTR 24/5166
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.4 WooArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op Woo-verzoek door Minister van Justitie en Veiligheid

Eiser heeft op 9 mei 2024 een verzoek om informatie ingediend bij de Minister van Justitie en Veiligheid op grond van de Wet open overheid (Woo). De minister had uiterlijk 6 juni 2024 moeten beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiser heeft de minister op 8 juli 2024 in gebreke gesteld en vervolgens op 1 augustus 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank constateert dat de beslistermijn is overschreden en dat de ingebrekestelling correct is gedaan. Verweerder heeft aangegeven het besluit uiterlijk 4 oktober 2024 te zullen nemen. De rechtbank stelt deze datum als nieuwe beslistermijn vast en legt een dwangsom op van € 100,- per dag overschrijding met een maximum van € 15.000,-.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van de proceskosten van € 218,75 en het griffierecht van € 187,- aan eiser. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van het besluit vernietigd. De uitspraak is gedaan door rechter B. Fijnheer op 20 september 2024.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder moet binnen 4 oktober 2024 alsnog een besluit nemen, met oplegging van een dwangsom en vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5166

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2024 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: [gemachtigde] )
en

de Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.P. Ketting).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend op 1 augustus 2024 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Op 23 augustus 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft zijn verzoek ingediend op 9 mei 2024. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Verweerder had dus uiterlijk op 6 juni 2024 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 8 juli 2024 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiser heeft op 1 augustus 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
5. Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat het besluit zal worden genomen, nadat de beoordeling en de zienswijzeprocedure zijn afgerond. Naar verwachting van verweerder zal het besluit uiterlijk 4 oktober 2024 worden genomen. Gelet op wat verweerder heeft aangevoerd, stelt de rechtbank de beslistermijn vast op 4 oktober 2024.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb).
8. Dat betekent ook dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht en onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 4 september 2023 [1] als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,-), bij een wegingsfactor 0,25. Toegekend wordt € 218,75.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op uiterlijk 4 oktober 2024 alsnog een besluit bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 218,75 aan proceskosten;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- dat eiser heeft betaald moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2024.
(De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen).
Griffier rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.