ECLI:NL:RBMNE:2024:6166
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarden woningen en winkel met afwijzing immateriële schadevergoeding
Eiser stelde beroep in tegen de vastgestelde WOZ-waarden van meerdere onroerende zaken, waaronder een hoekwoning, twee bovenwoningen en een winkelpand, met als doel lagere waarderingen te verkrijgen. De heffingsambtenaar handhaafde de WOZ-waarden en onderbouwde deze met taxatiematrices en marktgegevens.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarden niet te hoog waren vastgesteld. De door eiser aangevoerde bezwaren, zoals onjuiste gebruiksoppervlakten, onvergelijkbare referentieobjecten en de eigen verkoopprijs van meerdere panden samen, werden verworpen. De rechtbank volgde de toelichting over de taxatiemethodiek en de vergelijkbaarheid van referentieobjecten.
Daarnaast werd het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. De rechtbank stelde vast dat de overschrijding mede te wijten was aan de beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde van eiser, waardoor de redelijke termijn met 12 maanden werd verlengd. Ook was de totale duur van bezwaar- en beroepsprocedure nog binnen de redelijke termijn.
De rechtbank wees voorts een proceskostenveroordeling af, omdat het beroep niet kennelijk onredelijk was en het procesgedrag van de gemachtigde niet zodanig was dat het inzetten van het rechtsmiddel onnodig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en de bestreden uitspraken bleven in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarden wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.