Belanghebbende betwistte in alle procedurefasen de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van een bedrijfsruimte aan een winkelboulevard te Rotterdam, aanvankelijk stellende dat de waarde lager dan €808.000 moest zijn. Tijdens de zitting en in latere brieven stelde hij echter ook een hogere waarde van circa €1.100.000 voor.
De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op basis van een taxatierapport van 9 maart 2018, dat door de rechtbank en het hof als voldoende onderbouwd werd beschouwd. Belanghebbende leverde geen concrete, inhoudelijke tegenargumenten die de waardering konden weerleggen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigde deze uitspraak. Het hof benadrukte dat belanghebbende geen serieus te nemen tegenbewijs had geleverd en dat de waardering als geheel juist was vastgesteld conform de Wet waardering onroerende zaken.
Het hof wees ook op het niet onderbouwde en fragmentarische karakter van de argumenten van belanghebbende en diens gemachtigde, die in meerdere procedures soortgelijke niet-onderbouwde stellingen hadden ingebracht.
De proceskosten werden niet aan een van de partijen opgelegd. De uitspraak werd op 22 februari 2019 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Den Haag.