Verzoeker diende op 11 juni 2024 een beroep in omdat het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort niet tijdig had beslist op zijn handhavingsverzoek. Op 18 juni 2024 nam verweerder alsnog een besluit op het verzoek. Vervolgens trok verzoeker het beroep in en verzocht om vergoeding van zijn proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat zij voldoende informatie had om het verzoek tot proceskostenvergoeding zonder zitting te beoordelen. Op grond van de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht kan de rechtbank proceskosten toewijzen als het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep tegemoet is gekomen.
Verweerder gaf aan geen bezwaar te hebben tegen betaling van de proceskosten. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van € 218,75 aan proceskosten, gebaseerd op de bijstand door een gemachtigde en de wegingsfactor. Daarnaast wees de rechtbank erop dat verweerder verplicht is het betaalde griffierecht van € 187,- rechtstreeks aan verzoeker te vergoeden.
De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen op 17 oktober 2024 en in het openbaar uitgesproken. Verzoeker kan binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.