ECLI:NL:RBMNE:2024:642
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde bedrijfsruimte en afwijzing schadevergoeding
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een bedrijfsruimte per 1 januari 2020 vast op €406.000,- en legde op basis daarvan een aanslag onroerendezaakbelasting op. Eiseres maakte bezwaar tegen deze vaststelling, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de zitting bleek dat de gemachtigde van eiseres pas concreet werd over de gronden van het beroep, terwijl hij eerder onvoldoende onderbouwde stellingen had ingediend. De rechtbank wees deze nieuwe gronden buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde onderbouwd met de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij vergelijkingsobjecten werden gebruikt. Eiseres voerde aan dat de vergelijkingsobjecten niet passend waren, maar de rechtbank oordeelde dat het feitelijk gebruik niet relevant is, maar de gebruiksmogelijkheden, die vergelijkbaar waren.
Eiseres verzocht ook om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de termijn van ruim twee jaar was overschreden, maar achtte een verlengde termijn van drie jaar redelijk vanwege het procedeerpatroon van de gemachtigde van eiseres, waardoor de overschrijding aan eiseres kon worden toegerekend. Daarom werd het verzoek afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen ruimte voor een veroordeling in proceskosten of griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Wolbrink op 16 februari 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.