De rechtbank Midden-Nederland behandelde een geschil tussen eiseres sub 1 c.s. en gedaagde over de kwalificatie van hun rechtsverhouding en de gevolgen van de opzegging daarvan.
Gedaagde beheerde en verhuurde woningen van eiser, waarbij onduidelijkheid bestond of sprake was van een huurovereenkomst of een beheerovereenkomst. De rechtbank oordeelde dat het een beheerovereenkomst betrof, een opdrachtovereenkomst die opzegbaar is. De opzegging door eiseres sub 2 per 1 oktober 2021 werd als rechtsgeldig erkend.
Gedaagde moet de woningen binnen veertien dagen ter beschikking stellen, inclusief huurcontracten en sleutels, en huurders informeren over de overdracht. Gedaagde is veroordeeld tot betaling van €40.496,95 aan achterstallige betalingen plus wettelijke rente en een beperkte vergoeding voor incassokosten. De vordering van eiser tot betaling van €256.871,40 wegens vermeende onrechtmatige inhouding van huurpenningen werd afgewezen wegens gebrek aan rechtsgrondslag.
In reconventie werd gedaagde veroordeeld tot terugbetaling van een buffer van €82.000,00, opgebouwd uit meerbetalingen aan eiser. Vorderingen tot overleg van originele overeenkomsten, verdeling van overwaarde en schadevergoeding wegens voortijdige beëindiging werden afgewezen. Proceskosten werden volledig gecompenseerd.