Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, een twee-onder-één-kapwoning uit 2007, gelegen in een gemeente in Nederland, vastgesteld op € 583.000,-. Hij stelt een lagere waarde van € 565.000,- voor en voert onder meer aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de ligging en het bouwjaar van de woning.
De heffingsambtenaar onderbouwt de waarde met een taxatiematrix waarin drie vergelijkbare woningen worden genoemd, met verkoopdata dicht bij de waardepeildatum. De rechtbank oordeelt dat de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn en dat de heffingsambtenaar adequaat rekening heeft gehouden met verschillen in bouwjaar en voorzieningen.
Eiser trekt een beroepsgrond in over het niet ontvangen van onderliggende stukken, en de rechtbank wijst andere bezwaren af omdat eiser onvoldoende onderbouwing biedt. Ook het argument dat de onderbouwing niet inzichtelijk zou zijn, wordt verworpen omdat de heffingsambtenaar de verkoopcijfers heeft gebruikt en alle relevante stukken heeft verstrekt.
De rechtbank concludeert dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.