ECLI:NL:RBMNE:2024:6589

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 november 2024
Publicatiedatum
2 december 2024
Zaaknummer
UTR 24/5013
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens tijdige besluitvorming

Verzoekster diende op 24 juli 2024 een beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor aanvullende compensatie bij de Commissie Werkelijke Schade. Verweerder nam op 10 oktober 2024 alsnog een besluit op de aanvraag. Hierna trok verzoekster haar beroep in en verzocht zij om vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat zij voldoende informatie had om zonder zitting uitspraak te doen. Op grond van de artikelen 8:75 en 8:75a Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht kan de rechtbank proceskosten toewijzen indien het bestuursorgaan aan de indiener tegemoet is gekomen. Verweerder had geen bezwaar tegen betaling van de proceskosten.

De rechtbank stelde de proceskosten vast op € 437,50, gebaseerd op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 875 en een wegingsfactor van 0,5. Daarnaast is verweerder verplicht het griffierecht van € 51,- rechtstreeks aan verzoekster te vergoeden. De uitspraak werd op 8 november 2024 gedaan door rechter M. Eversteijn.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5013

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2024 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] (België), verzoekster,

(gemachtigde: mr. J.W. van de Wege),
en

Dienst/Toeslagen, verweerder,

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingediend op 24 juli 2024, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.
Verweerder heeft op 10 oktober 2024 alsnog een besluit genomen op de aanvraag van verzoekster.
Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft op 28 oktober 2024 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van
€ 875,- en een wegingsfactor 0,5). [1]
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 437,50 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 november 2024.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Conform de uitspraak van de Afdeling van bijvoorbeeld 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.