De zaak betreft een kort geding waarin de eisende partij verzoekt om schorsing van haar ontslag als bestuurder van twee vennootschappen en tevens om schorsing van een andere bestuurder. De ontslagbesluiten zijn genomen op gecombineerde vergaderingen, waarvan de oproepingen per e-mail tijdig en rechtsgeldig zijn gedaan. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat de oproeping zonder bestuursbesluit heeft plaatsgevonden, wat niet rechtsgeldig is bij een meerhoofdig bestuur.
Verder is vastgesteld dat de hoorplicht niet is nageleefd, omdat het ontslag van de eisende partij vooraf al vaststond en zij geen reële invloed meer kon uitoefenen op het besluit. Dit leidt tot de conclusie dat de ontslagbesluiten waarschijnlijk in de bodemprocedure vernietigbaar zullen zijn. De huidige situatie waarbij de andere bestuurder alle zeggenschap heeft, wordt als onwenselijk gezien.
Daarom worden de ontslagbesluiten geschorst en wordt de eisende partij bevolen om binnen twee uur na het vonnis haar bestuurstaken te hervatten, onder dreiging van een dwangsom. Het verzoek tot schorsing van de andere bestuurder wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisendheid en onvoldoende onderbouwing van wanbeleid. Proceskosten worden verdeeld conform de uitkomst van de procedure.