Eiseres ontving van 11 maart 2022 tot 10 maart 2023 vijf uur per week hulp bij het huishouden via een persoonsgebonden budget, geleverd door haar zwager. Na een verzoek tot verlenging en een gesprek met een buurtteammedewerker werd haar voor de periode van 11 maart 2023 tot 10 maart 2025 slechts 3,5 uur per week toegekend. Eiseres maakte bezwaar tegen deze vermindering, maar na haar verhuizing per 1 juli 2023 naar haar zus en zwager werd de hulp afgesloten.
De rechtbank behandelde het beroep op 16 september 2024 en stelde vast dat het geschil alleen betrekking had op de periode tot 1 juli 2023. De rechtbank vroeg eiseres naar haar procesbelang, waarop bleek dat zij geen kosten had gemaakt of andere belangen had die het beroep rechtvaardigen. Volgens vaste rechtspraak is procesbelang vereist om een beroep ontvankelijk te verklaren, zeker bij een al verstreken periode.
De rechtbank concludeerde dat eiseres geen voldoende procesbelang had bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten of griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter C.M. Dijksterhuis op 20 december 2024.