De zaak betreft een geschil over de overeengekomen einddatum van een uitzendovereenkomst tussen een uitzendkracht en een uitzendbureau. De uitzendkracht is per 22 april 2024 in dienst getreden en meldde zich op 31 juli 2024 ziek. De werkgever stelde dat de overeenkomst telkens voor 4 weken werd aangegaan en per 12 augustus 2024 van rechtswege eindigde vanwege arbeidsongeschiktheid. De uitzendkracht stelde dat de overeenkomst voor 52 weken was aangegaan en doorliep tot 20 april 2025.
De kantonrechter past de Haviltex-maatstaf toe en concludeert dat de bepalingen in de overeenkomst onvoldoende duidelijk zijn, maar dat de redelijke uitleg is dat de uitzendovereenkomst doorloopt tot het einde van fase 1/2, namelijk 52 weken na aanvang. De werkgever had onvoldoende duidelijk gemaakt dat de overeenkomst telkens voor 4 weken gold, terwijl de uitzendkracht aannemelijk maakte dat hij ervan uitging dat hij minimaal 52 weken zou werken.
De kantonrechter wijst het verzoek tot verklaring voor recht en vernietiging van de opzegging af, maar veroordeelt de werkgever tot doorbetaling van 90% van het loon tot uiterlijk 20 april 2025, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 10% en wettelijke rente. Het verzoek om een bericht aan de inleners te sturen wordt afgewezen als voorbarig. De werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten volgens forfaitaire tarieven.